Yolanda Onderwater
'Oma Bali Luistert'
Sri Lanka, the children

 

 
 
IBU SRI
 
 
Trauma healing voor kinderen in Sri Lanka na de tsunami
 
 
 Yolanda Onderwater
 
 
 
 
 
Voorwoord
Medicijnmannen, healers, energetisch genezers zijn in staat om een Ziel die geknakt is door een traumatische ervaring, de hulp en kracht te bieden die het nodig heeft om zich weer op te richten. Zodat deze mens zelf weer energie krijgt en nieuwe ideeën om zijn bestaan opnieuw in te richten.
 
In februari 2009 kreeg ik de gelegenheid om dit werk te doen in Sri Lanka voor kinderen die getraumatiseerd zijn door de tsunami.
Dit boek beschrijft mijn roeping om te helpen op een plaats die ver afstaat van onze eigen Nederlandse cultuur. Mijn eerdere omzwervingen in Azië gaven mij het inzicht dat een ceremonie een belangrijke rol vervult bij de aanvaarding of oplossing van een probleem. Tijdens een ceremonie worden geesten uitgenodigd, wordt God om hulp en leiding gevraagd en het kwaad verdreven. In Sri Lanka speelt het boeddhisme en hindoeïsme een belangrijke rol in het leven van de mensen. Door mijn kennis uit het westen te combineren met de spirituele levenswijze van het oosten gaven we de kinderen een onvergetelijke ervaring die helend werkte.
Het boek geeft een beeld van de reikwijdte van het werk van een energetisch genezer, waarbij duidelijk wordt dat de mens onlosmakelijk verbonden is met een zichtbare en onzichtbare wereld. Het verhaal gaat over de doden en de levenden na de tsunami, maar vooral hoe deze kinderen verder kunnen na deze verschrikkelijk ervaring.
 
 
 
 
Overzicht slachtoffers van de tsunamie in Azië kerstmis 2004
Getroffen landen: Bangladesh, India, Indonesië, Kenia, Madagaskar, Maldiven, Maleisië, Myanmar, Seychellen, Somalië, Sri Lanka, Tanzania, Thailand.
 
Totaal aantal slachtoffers: 290.000
 

 Deel 1.
Ik neem u mee naar het rijk van de ontelbare slachtoffers die gevallen zijn na de tsunami. Overledenen die hun weg naar het nieuwe leven nog niet gevonden hebben krijgen aandacht, rust en liefde om hun weg te kunnen vervolgen.
 
 
 
De parel van de Indische oceaan.
 
Rijden naar het zuiden van Sri Lanka is als rijden door een foto van een reismagazine. Aan mijn rechterkant strekt zich de eindeloze turkoois en azuurblauwe 
zee uit zover het oog reikt. Kleine dorpjes worden afgewisseld met tropische stranden waar sprokkelhout zich verzamelt tegen een palmboom. Een vissersbootje ligt op het strand te wachten tot de hitte wat afneemt en er weer uitgevaren wordt. Een idyllisch plaatje.
Met een schok beland ik weer in de werkelijkheid wanneer ik langs de kant van de weg, nauwelijks tien meter van de vloedlijn een aanrecht zie staan. Even weet ik niet wat ik zie, maar al snel begrijp ik dat het huis dat om het aanrecht stond totaal weggevaagd is.
Dan zie ik ook dat het sprokkelhout dat ogenschijnlijk lukraak tegen die klapperboom staat een hut voorstelt waar mensen  wonen.
Dit is Sri Lanka vier jaar na de tsunami.
Aan mijn linkerkant staat het ene beschadigde huis na het andere. Het lijkt alsof er een beschieting heeft plaatsgevonden. Er zitten grote gaten in de muren en vaak staat alleen nog het geraamte de woning overeind.
We zoeven erlangs. De asfaltweg waar we overheen rijden is opnieuw aangelegd en gerepareerd.
De infrastructuur heeft geluk; het benodigde geld om deze weg weer in orde te maken is geschonken door westerse landen en de regering heeft het goed besteed.
Waar zijn de mensen die in die huizen woonden? Wie woont er  in die hutjes van planken en sprokkelhout? En waarom liggen er overal van die grote stenen tussen het stugge gras?
Het is onvoorstelbaar, maar het antwoord op deze vragen is zo simpel.
De mensen die in de kapotte huizen woonden, bezitten nu op het strand een huisje van planken, vlakbij hun dierbaren die onder die grote stenen begraven liggen…..
Dit is Sri Lanka vier jaar na de tsunami.
Het is bizar om hier langs te rijden en de enorme schade te zien die de tsunamie aangericht heeft. Het is letterlijk onvoorstelbaar. Ik zie het met eigen ogen en toch kan ik het niet goed bevatten. Ik heb ook helemaal geen referentiekader voor een ramp van deze omvang en kan daardoor (nog) niet goed invoelen wat het moet betekenen voor de mensen die hier wonen. Beetje bij beetje dringt het tot mij door wanneer ik een kind zie dat met smerige handjes en een snotterbel, haar snoepjes probeert te verkopen. Of wanneer ik struikel over een steen waar een naam en een hartje ingekrast staan.
 
Toch wil ik hier zijn.
 
Na de beelden van de tsunami op de televisie in de kersttijd van 2004 was de wens om naar een van de getroffen gebieden te gaan zeer sterk. Al jaren help ik mensen die getroffen zijn door een gebeurtenis die diep ingrijpt in hun leven. Uit ervaring weet ik dat mensen flexibel zijn en veel kunnen hebben, maar soms is de beschadiging te groot en knakt een geest. Bij velen ontbreekt daardoor de creativiteit om hun leven weer op te bouwen. Dat is meestal geen kwestie van niet willen, maar van niet kunnen! Het is een gevolg van de enorme klap die ze gekregen hebben doordat de grond letterlijk onder de voeten is weggeslagen en waardoor ze -letterlijk- in hun basis beschadigd zijn.



De eerste acute noodhulp die kort na een ramp op gang komt, is natuurlijk essentieel om te kunnen overleven in de eerste dagen na een ramp. Medicijnen, water en voedsel zijn onontbeerlijk, evenals het bergen van de doden. Daarna volgt een periode waarin allerlei noodvoorzieningen worden gemaakt en na een paar weken of maanden zou er al een begin moeten worden gemaakt met de volledige wederopbouw. De aard van de geboden hulp verandert en van de bevolking wordt verwacht dat zij hun steentje gaan bijdragen aan de wederopbouw.
Alle hulp die gegeven wordt zou zichzelf zo spoedig mogelijk weer overbodig moeten maken nadat de mensen in het getroffen gebied hun leven weer opgepakt hebben en zelfstandig verder kunnen leven.
Echter, grote groepen mensen zijn na een natuurramp voor langere tijd terneergeslagen of zelfs apathisch. Het zenuwstelsel is lamgeslagen en heeft tot gevolg dat zij niet meer in staat zijn om een creatieve oplossing te vinden om hun situatie te verbeteren, ondanks alle praktische hulp die geboden wordt. Hoe langer de staat van verdoving duurt, hoe inactiever en apathischer de mens wordt. Uiteindelijk kan het zelfs resulteren in lichamelijke en geestelijke ziektes.


Ik ben van mening dat de slachtoffers in het proces naar aanvaarding van hun lot beter geholpen zouden kunnen worden. De slachtoffers zouden veel sneller kunnen herstellen als er trauma-healing gegeven zou worden waarbij het zenuwstelsel, de geest en de ziel van het slachtoffer hulp krijgt bij zijn herstel en er begonnen kan worden met de rouwverwerking en de wederopbouw van het bestaan.
Professionele energetisch genezers, (trauma) healers, kunnen daar een belangrijke rol in vervullen.
 
 
Wat is trauma healing?
 
Elk mens dat een trauma oploopt, of hij groot of klein is, zal een manier vinden om het trauma te integreren in zijn bestaan. Na de eerste broodnodige, praktische hulp, zal een mens ogenschijnlijk ongedeerd verder kunnen leven. Weliswaar met littekens op de ziel, maar meestal met voldoende veerkracht om het leven weer op te pakken en zich aan te passen aan de nieuwe situatie.
Elk kind en elke volwassene heeft voor het integreren van een trauma een eigen creatieve oplossing.
Soms blijft een trauma echter opgeslagen in het ‘celgeheugen’. Aan de buitenkant is van de schade niets meer te zien of te merken. Diep in het lichaam, op cellulair niveau, ligt de beschadiging verborgen.
Na verloop van tijd kan het lichaam dit gewicht niet meer dragen en roept het zijn eigen blokkades op. Mensen zijn meestal van nature veerkrachtig en daardoor duurt het soms jaren voor ons lichaam het trauma niet meer kan dragen.
Pas na verloop van tijd, variërend van een aantal maanden tot een aantal jaren, kan het trauma weer zichtbaar worden doordat een lichamelijke of geestelijke klacht ontstaat, met het trauma als onderliggende oorzaak. Bij een kind kan de ontwikkeling plotseling stagneren. Dat kan zich laten ‘zien’ op verschillende niveaus. Blokkades in de emotionele leefwereld kunnen zichtbaar worden door gedragsproblematiek of gedragsveranderingen. Ook fysiek kan het trauma langzaam een hoofdrol gaan spelen, wat zich kan uiten doordat een kind de eetlust verliest of het niet voor elkaar krijgt om zindelijk te worden. Maar ook de mentale groei van een kind kan plotseling stagneren. Waar een kind eerst nog mee kon komen op school en een gemiddeld IQ kon handhaven, lijkt zomaar een achterstand te ontstaan. De schoolprestaties blijven achter zonder dat er een duidelijke oorzaak lijkt te zijn.  
 
Ik help de kinderen in mijn praktijk in Nederland om deze vastzittende energie weer vrij te maken, waardoor er weer vrijheid ontstaat op diep cellulair niveau. De door het lichaam opgeworpen blokkades die de ontwikkeling in de weg staan, lossen op.
Niet de herinnering is gewist, maar de emotionele lading die een trauma met zich meebrengt raakt los van de herinnering. De kinderen gaan weer blij(er) door het leven.
 
Mijn roeping om naar Sri Lanka te gaan begon toen ik tijdens de kerstperiode 2008 het interview van Mevr. Van Leeuwen las over het Somawathi Holland House of Hope in Sri Lanka.
 
 
Een interview in de krant
 
Het is Kersttijd, december 2008. In mijn warme huiskamer onder de kerstboom, lees ik een interview in de krant van een bevlogen Nederlandse vrouw. Organisatrice Marja van Leeuwen vertelt beeldend over haar belevenissen na de tsunamie van 2e Kerstdag 2004. Onder haar bezielende leiding is er een weeshuis gebouwd in het zuiden van Sri Lanka, waar inmiddels 120 kinderen onderdak vinden.
Vier jaar na dato is er veel bereikt voor de kinderen. De kinderen wonen met elkaar in groepjes van acht in een paviljoen en er wordt goed voor deze mini slachtoffertjes van de tsunami gezorgd. Elk paviljoen wordt gerund door een ‘care-mother’ die de kinderen het gevoel  probeert te geven dat het paviljoen hun thuis is. Met meer of minder liefde wordt er voor de kinderen gezorgd, want ook hier bestaat het subtiele verschil dat sommige mensen werken vanuit roeping en anderen voor roepias. Uit het hele artikel blijken de zorg en aandacht die er gegeven wordt aan deze kinderen. Er is medische verzorging voor iedereen en ook de tandarts schuift regelmatig aan in de kleine kliniek op het terrein.
De kinderen gaan weer naar school en gebruiken gezamenlijk de maaltijd in de eetzaal. Aan lange tafels krijgen zij hun bordje rijst met groenten, waarna ze het gezamenlijk oppeuzelen met de rechterhand.
Na schooltijd krijgen  de kinderen computerles of ze leren Engels (Engels is je ticket naar de toekomst!) Maar er is ook aandacht voor dansen en pottenbakken. Uit alles blijkt dat ’s lands wijs, ’s lands eer zoveel mogelijk wordt nagestreefd. Er is zelfs een mooie grote speeltuin aangelegd, waar naar hartenlust kan worden gespeeld en gehangen.
 
En toch, en toch….
“Nu alles zo goed voor elkaar is, waarom zijn er dan nog zoveel kinderen die last houden van bedplassen, nachtmerries, concentratieproblemen of gedragsproblematiek?”, vraagt Marja van Leeuwen zich af. Deze problemen belemmeren de groei van de kinderen; de schoolprestaties stagneren en soms ligt eenzaamheid op de loer voor de kinderen die het niet (meer) kunnen opbrengen om zich te handhaven in de groep. 
Voor een aantal kinderen is het antwoord op deze vraag duidelijk, maar voor anderen tast het team in het duister.
 
Bij het lezen van deze laatste zinnen voel ik de onmacht die hierin besloten ligt en ik besluit mijn hulp aan te bieden. 
Een lang telefoongesprek volgt waarin ik mijn visie aan mevrouw van Leeuwen duidelijk maak. Ik doe mijn best om  een brug te slaan tussen mijn holistische visie op de mensheid en de praktische noden waaraan al voldaan is door de organisatie van dit weeshuis.
Mijn ervaring met het werken met veel kinderen gaf waarschijnlijk de doorslag en Mevrouw van Leeuwen nodigde mij uit om mijn werk in Sri Lanka te komen doen.
Vanaf dat moment  heb ik een missie.
 
Ik spreek de taal niet.
 
Lang heb ik mij afgevraagd hoe het zou zijn als ik kinderen in ontwikkelingsgebieden kon helpen, precies zoals ik met Nederlandse kinderen deed. Reizen is een van mijn passies en ik ‘gedij’ goed in de tropen. Wat zou er mooier zijn dan een paar van mijn passies te verenigen: reizen, het geven van healingen en het werken met kinderen in een ontwikkelingsland?
Maar ja, ik spreek de taal niet en daarmee creëerde ik een drempel in mijn hoofd die onoverbrugbaar leek.
Pas toen ik het interview over het weeshuis in Sri Lanka las, gingen mij de ogen open. Ik verbaasde mij over het feit dat deze kinderen, die leven onder moeilijke omstandigheden in een leven wat getekend is door een ramp , dezelfde klachten hebben als de weldoorvoede en met een rugzakje behangen kinderen in Nederland. 
De lijst van klachten die Marja van Leeuwen beschreef was lang en betrof veelal psychosomatische klachten zoals bedplassen, nachtmerries, niet goed ‘meekomen’ op school of aanpassingsproblemen….
Ik was verbaasd en toch ook weer niet. Waar had ik dat idee vandaan dat kinderen in andere landen andere klachten zouden krijgen dan de Nederlandse? Dat je deze kinderen alleen maar zou kunnen helpen met counseling? Ik realiseerde mij dat ik met deze aannames de drempel in stand hield die mij ervan weerhield om stappen te ondernemen. Na het lezen van het interview begon mij iets te dagen en mijn hart maakte een sprongetje. Zou het dan toch kunnen dat ondanks het feit dat ik de taal niet spreek , ik zou kunnen werken in een land waarvan ik de taal niet machtig ben?
Jawel hoor, het Licht ging aan… Ik realiseerde mij dat ik al  jarenlang  kinderen behandel in mijn praktijk met de meest uiteenlopende klachten en daarbij maak ik  nauwelijks gebruik van taal. Lichaamstaal, dat wel, en verder is een klein spelletje dat je zonder woorden kan spelen, voldoende.
 
 
 
Potverdrie - dubbeltjes
 
Nadat de organisatie van het weeshuis mij toestemming gegeven had om aan het werk te gaan in het Somawathi weeshuis liep ik echter tegen een “detail” aan.
Een financieel detail…
 
Ik wilde graag mijn hulp verlenen aan deze kinderen, maar daarvoor moet ik wel naar Sri Lanka.
De bodem van mijn eigen schatkist was in zicht en ik kon mij simpelweg geen ticket naar Sri Lanka veroorloven. Dagen ben ik bezig geweest om allerlei grote en kleine ontwikkelingsorganisaties te bellen om te horen of er ergens een potje was waar ik gebruik van kon maken om de kosten te dekken. Bij de meeste grote organisaties kwam ik niet verder dan de receptioniste en bij de kleinere
organisaties was de geldstroom zo klein dat zij mij niet konden helpen. Honderden miljoenen zijn opgehaald direct na de ramp; waar zijn die geparkeerd? Wie beheert en verdeelt dat geld? Het is mij tot op heden niet duidelijk waar je als particulier met een missie terecht kan voor een kleine bijdrage in de kosten.
Iemand gaf nog een tip om het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking te benaderen; dan hoefde ik alleen een doortimmerd plan in te leveren en een aanvraag te doen. Als ik geluk had zou ik over een aantal maanden horen of zij  het plan wilden honoreren, want ambtelijke molens malen langzaam.
Maar ik wilde heel graag in februari al aan het werk! En dat was over zes weken.
Na enig creatief denken besloot ik een email te maken voor alle mensen in mijn netwerk. Zij wilden graag helpen en in korte tijd groeide, met stukjes en beetjes, een bedrag dat mij in staat stelde naar Sri Lanka te gaan.
Alle kleine bedragen werden overgemaakt naar mijn praktijk, omdat ik de gedachtegang volgde dat ik in Sri Lanka hetzelfde werk zou gaan doen als ik in Nederland deed. Alleen is het werk in Sri Lanka vrijwilligerswerk en daarvoor zou  ik niet betaald krijgen.
Zolang ik in Sri Lanka aan het werk zou zijn, zou de praktijk in Nederland dicht zijn, en zou ik ook geen inkomsten genereren.
Dat accepteerde ik.
Maar dat het  Nederlands belastingstelsel vervolgens BTW in ging houden omdat de giften als inkomsten werden gezien, was wel een heel bittere pil.
Gelukkig was de belastingdienst, na overleg, zo coulant om deze giften niet als inkomsten te zien…..
 
Zes weken later kon ik afreizen naar het zuiden van Sri Lanka.
 
 
 
Een visioen
 
Maar eerst gebeurde er dit:
Het is midden in de nacht, eind januari 2009 en ik lig gewoon in Nederland in mijn bed. Rusteloos draai ik van de ene zij op de andere en dan, op de grens van waken en slapen, ontvouwt zich een visioen.
 
Ik zie het terrein van het Somawathi weeshuis in Sri Lanka. Een “over view”. Het is er donker en stil en vaag ben ik mij bewust van de kinderen en volwassenen die daar wonen. Ik zie ze niet. Als ik naar beneden kijk en het terrein overzie merk ik dat de aarde hier en daar van binnenuit een rood licht verspreid. Het licht lijkt van binnenuit te komen en pulseert zacht. Het doet denken aan een ontsteking onder de huid. Gloeiend en pijnlijk.
Op hetzelfde moment wordt duidelijk dat de grond waarop dit weeshuis staat, ernstig beschadigd is.
 
Het visioen maakt duidelijk dat er meer beschadigd is dan alleen de door mensen opgebouwde leefwereld. Diepe wonden zijn geslagen. Ontelbaar veel mensen hebben familieleden verloren en van hun bezittingen is weinig meer over. Maar dat ook de aarde zelf een slachtoffer kan zijn geworden van dit geweld is een nieuwe kijk op de gevolgen van een ramp. Deze mogelijkheid roept nieuwe vragen op over de opbouw, verwerking en genezing van een door een ramp getroffen gebied. 
Zonder de aarde te vermenselijken stel ik toch de vraag : Kan de aarde gewond zijn?
Het visioen vertelt mij ook dat er iets gedaan mag worden om het terrein van het Somawathi house te helpen om weer op kracht te komen. Op deze plek is de ‘gewonde’ aarde onderdeel van de instandhouding van pijn en verdriet. Om de een of andere reden is de aarde niet in staat geweest om de gevolgen van het natuurgeweld te transformeren. De aarde heeft veel van de emoties van de overlevenden en de slachtoffers geabsorbeerd en opgeslagen en zij herbergt ook letterlijk veel doden.
De slachtoffers van de tsunami zijn niet in vrede gestorven, maar vol angst, schrik en wanhoop. En dan blijft, zoals in huizen ook wel gebeurt na een traumatisch overlijden, deze pijnlijke, traumatische en chaotische energie soms hangen.  
 
Alles heeft energie. Alles is energie. We kunnen de aarde beschouwen als een levend organisme. Veel natuurvolken zijn hier nog steeds van overtuigd en doordrongen en betuigen eer en respect aan dat levende organisme dat ons een plaats biedt om te leven. Maar terwijl de beschaving door de eeuwen heen voortschrijdt, zijn we ook gaan vergeten. Wij mensen zijn onszelf steeds belangrijker gaan vinden en verloren meer en meer het contact met de natuur. Nog steeds vinden we onze flora en fauna prachtig. Nog steeds zijn we onder de indruk van natuurgeweld. Maar we verbinden ons minder en minder met dat wat ons leven geeft.
Het visioen vertelde mij dat de aarde, die ons van onze basislevensbehoeften in de vorm van voedsel, water en zuurstof voorziet, ook beschadigd kan raken.
Er bestaat een wisselwerking tussen de aarde en de mensen bij verwerking en genezing van een trauma. Beide kunnen elkaar hierin steunen en versterken en zodoende voor een opwaartse spiraal zorgen, maar andersom is ook mogelijk. Leed en verdriet kan ook in stand gehouden worden.
 
Juist op deze plek is een weeshuis gebouwd. Inmiddels vinden 120 kinderen er onderdak, scholing, aandacht en liefde. Deze kinderen zijn op de een of ander wijze ook slachtoffer van de natuurramp. Ook zij kennen hun verdriet.
Een grote groep kinderen is heel goed in staat om een plek te zuiveren. Gewoon door er te spelen, te rommelen, te eten en te rennen. Kortom door zichzelf te zijn. Maar het wordt moeilijker als de energie op de plek waar zij wonen en spelen hen steeds onbewust herinnert aan de schrik en pijn die veroorzaakt is door de natuurramp. De helende wisselwerking is te zwak.
Spelende kinderen hebben behoefte aan een veilige plek.
Aan gras onder de voeten.
Aan zand en water om zodoende hun angst ‘weg te spelen’.
Maar het zijn juist dit zand en dit water is doordrenkt van angst…..
 
 
 
Toeval bestaat niet.
 
Mijn collega Marijke is samen met haar man op rondreis in Sri Lanka. Zij is ook paranormaal therapeute en zonder dat we dat van elkaar wisten of afgesproken hadden, zijn we op dezelfde tijd in Sri Lanka. Na een lang gesprek besluiten zij en haar man om hun vakantie voor een deel af te stemmen op mijn missie.
Samen besluiten we naar het Somawathi Holland House of Hope te gaan en onze talenten te gebruiken om de sfeer van het weeshuis  te proeven en het terrein te verkennen.  Door gebruik te maken van ons zesde zintuig en door onze verhoogde gevoeligheid krijgen we een indruk van de conditie van het terrein en de sfeer in en rond het weeshuis.
Gezond verstand gaat daarbij gelijk op met het zesde zintuig.
 
 
Een rondleiding in het weeshuis
 
Wij worden omringd door kinderen die allemaal hunkeren naar aandacht en dat op hun eigen wijze proberen te krijgen. Als het niet goedschiks kan door mij trots wijzen op de knip- en plakwerkjes die overal hangen, dan moet het maar kwaadschiks. Verschillende malen wordt ik venijnig in mijn arm of rug geknepen.. Na een paar keer draai ik mij om en kijk wie dat doet. Een paar meter van ons vandaan staat een quasi verlegen jongetje met zijn hoofd gebogen en zijn handjes op zijn rug. Zijn steelse blik naar boven maakt mij duidelijk dat hij zich bewust is van mijn vragende blik en daar is het hem om te doen. Gelukkig heeft hij nog wel het fatsoen om een beetje verontschuldigend te glimlachen. Maar zijn doel is bereikt, hij heeft mijn aandacht.
 
Ongetwijfeld mis ik wat van de informatie die Mevr. van Leeuwen ons vertelt, want een stuk of tien kinderen begeleiden ons op deze rondleiding door het Somawathi House en proberen steeds mijn aandacht te vragen voor zaken die zij veel belangrijker vinden dan een kijkje in het washok. Er wordt aan mij geplukt en gehangen en mijn blote arm wordt minutieus geaaid door een klein meisje met pikzwart haar en diep donkere puppy ogen. Een van de meisjes wijst mij op de tekeningen die aan de wand hangen en wil graag zeker weten dat ik die van haar echt gezien heb. Een jongetje van een jaar of twaalf reddert rond ons groepje en hij gaat ons voor in de lokalen. Het tempo waarin hij dat doet is zo hoog dat hij meestal al ongeduldig bij de deur staat te wachten als wij nog proberen wat informatie te beluisteren van onze gids. Ondertussen spieken er weer andere kinderen om hoek van de deur. Zij sluiten zich even aan bij ons groepje maar al snel wordt hen onverbloemd duidelijk gemaakt dat het niet de bedoeling is dat zij ook mee gaan lopen. Verdrietig, berustend of boos verdwijnen zij weer.
 
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ik veel kinderen zie die in ons land gediagnosticeerd zouden worden als ADHD, ADD of een ander aan autisme verwant etiketje. Elke groep kinderen kent zijn uitschieters naar boven en beneden in intelligent, emotioneel en sociaal opzicht. De dynamiek binnen een groep maakt dat meestal snel duidelijk.   Maar hier, in deze korte rondleiding, begeleid door de kinderen die hier wonen kan ik de bovengrens niet voelen. Dit groepje heeft een sterke dynamiek, dat blijkt maar weer uit het feit dat zij de rondleiding afschermen van indringers die vervolgens afdruipen en alleen vanaf een afstand naar ons kunnen blijven kijken.
Natuurlijk zijn deze tien kinderen geen afspiegeling van alle 120 kinderen die in het weeshuis wonen en zijn er waarschijnlijk veel kinderen naar school buiten het terrein. Tenslotte is het maar een gewone doordeweekse dag waarop wij binnen komen vallen in het weeshuis. En ook in Sri Lanka gaan de kinderen alle dagen naar school.
 
Marijke en ik lopen mee, kijken rond en luisteren naar de verhalen. Tegelijkertijd voelen we de sfeer en de conditie van het terrein.
Langzaam wordt duidelijk waar alle gebouwen voor dienen, hoe het dagprogramma voor de kinderen eruitziet en hoe een paviljoen gerund wordt. Kortom, allemaal interessante aardse zaken.
En toch, en toch..
Als we over het glooiende terrein lopen gaat mijn keel regelmatig dicht, houd ik mijn emoties ternauwernood onder controle en ervaar vaak ‘een band rond mijn hoofd’. Intense gevoelssensaties komen en gaan.
Op sommige plaatsen voelt het terrein neutraal, maar soms voelen plekken ronduit akelig.
En dan met name halverwege de heuvel. Juist op de plaats waar de speeltuin gebouwd is.
“Nee”, denk ik. “Het kan toch niet zo zijn dat precies hier het ‘episch centrum’ ligt van die akelig rood pulserende plek uit het visioen? Hier? Midden in de speeltuin?”
 
Toch is ooit besloten dat juist hier de speeltuin gebouwd moest worden. Waarom hier? Was er geen andere plek? Welke beweegredenen lagen er aan ten grondslag?
 
Na deze rondleiding gaan we nog even in de speeltuin op het bankje zitten en voorzichtig  vertellen we wat we voelen en ervaren. Wij doen ons verhaal aan de volwassenen die ons rondgeleid hebben want de kinderen zijn een voor een afgehaakt toen we naar buiten liepen.
 “Het lijkt of er juist op deze plaats op dit immens grote terrein geen energie is.  Het is er droog en stoffig. De grond is te ‘dood’ om ook maar iets te doen groeien en nodigt ook niet uit om te spelen”.
Wij realiseren ons dat we grote woorden gebruiken en het is niet onze intentie om de mensen van de organisatie ongerust te maken. Natuurlijk schrikken zij als wij onze ervaringen met hen delen, maar na enige tijd vertellen zij grootmoedig dat de speeltuin niet zo’n groot succes is als wat ervan verwacht werd. De kinderen spelen er niet graag…..
Wij vragen ons af of het mogelijk om iets te veranderen aan de sfeer van dit kleine stukje grond zodat de speeltuin weer uitnodigt om te spelen.
 
 
 
Inspiratie is de inademing van de Geest.
 
Maandagavond loop ik een rondje over het grote hotelcomplex waar ik verblijf. Op zoek naar een plek waar ik even rustig kan zitten. Dat is niet zo eenvoudig, omdat het hotel veel luidruchtige gasten herbergt die van hun vakantie ook een feestje  willen maken.
Om af te stemmen op een creatieve gedachtestroom heb ik stilte nodig en een plek waar ik mij kan focussen op mijn vraag.
Ik moet het maar doen met wat er is: dit is een resort met veel gasten en ruis daardoor zijn er niet zoveel stille plaatsen. Op mijn zoektocht naar een plek om te zitten en te mediteren verzamel ik wat natuurlijk materiaal en vlecht van bloemen en schelpen een waar kunstwerkje in elkaar. Het verzamelen van het materiaal helpt om te focussen op mijn vraag.
Ik vind een strandstoel in de tuin. Hij lijkt daar een beetje misplaatst te staan, maar nadat ik gekeken heb of ik niet precies onder een kokospalm zit, ga ik daar toch zitten en wacht af.
Mijn vraag is eenvoudig: wat kan ik doen om de speeltuin van het Somawathi house weer leefbaar te maken?
Daarna laat ik de vraag weer los en wordt langzaam stil.
 
Op het moment dat de intentie wordt uitgesproken stromen de ideeën al binnen. 
Ideeën komen op en regelmatig krijg ik kippenvel. Al snel schieten er allerlei gedachten en ideeën door mijn hoofd, die ik aan elkaar rijg als kralen aan een ketting. Soms gaat het zo snel dat ik bang ben dat ik het niet kan onthouden en ik haal een papiertje en een pen uit mijn tas en schrijf in het (bijna) donker enkele steekwoorden op.
Soms komt de inspiratie als een compleet beeld, soms zijn het enkele woorden. Maar altijd zijn het flarden van inzicht. 
Maak een ceremonie …
Met alle 120 kinderen en alle volwassenen van Somawathi house….
Op de grens van licht en donker…
Ik krijg een helder beeld van alle kinderen in een kring met een kaarsje…
Ik zie mijzelf vertellen dat de aarde gewond is….
Er vormt zich een beeld met een groot hart, wat langs de buitenrand verlicht is…..
 
Vaag onderscheid ik ook details:
Ik moet iets doen met wit zand omdat ik ineens weet dat de tsunami veel smerig, zwart zand aan land heeft gebracht…
Iets met bloemen….
Het idee is heel helder en krachtig, maar veel details zijn beslist nog onduidelijk.
Uit ervaring weet ik dat het belangrijk is om aan een idee woorden te geven want daardoor zullen ook de eerste hiaten zichtbaar worden in de uitvoering.
Ik weet weinig van de gebruiken en gewoonten van Sri Lanka en daarom besluit ik mijn locale gids te bellen, die mij in de eerste week van mijn verblijf in Sri Lanka vergezelt. Hij verblijft in het chauffeursverblijf van hotel en is aangenaam verrast door mijn uitnodiging om van gedachten wisselen en ik vertel hem wat ik wil gaan doen.
Benny luistert aandachtig, stelt zijn vragen en beantwoordt de mijne.
Om een ceremonie te ontwikkelen waar zoveel kinderen bij betrokken zijn moeten we aandacht hebben voor veel details. Vooral de veiligheid van de kinderen en het respectvol omgaan met de plaatselijke religie zijn belangrijk.
Langzaam ontstaat er een boodschappenlijstje. We hebben zeker 150 kleine kleipotjes nodig om het kaarsje in te zetten. Kaarsjes. Bloemen. Lucifers. Wierook. Plastic bekertjes. Emmers.
Benny blijkt zijn gewicht in goud waard en op alles weet hij een antwoord of geeft hij een suggestie.
Sommige dingen blijven onzeker en kunnen op dat moment nog niet beantwoord worden.
Mogen de kinderen ’s avonds om zeven uur nog wel naar buiten?
Wat is een goede dag om zo’n ceremonie te houden?
We zullen zien…..
 
De volgende dag stem ik het idee af met collega Marijke en zij geeft de suggestie om ook een reinigingsmeditatie te doen. Dat voelt goed. We bedenken dat we deze meditatie met zijn tweeën gaan doen op het terrein van het Somawahti House en het liefst voordat de grote ceremonie met de kinderen plaats gaat vinden.
Tegen de middag worden Marijke en ik door Benny naar het weeshuis gebracht en daar treffen we Mr. Eric. Hij is leidinggevende bij het weeshuis. Belangstellend luistert hij naar het idee voor de ceremonie. Hij is onder de indruk van het idee en met alle plezier wil hij de tolk zijn als ik de kinderen vertel over de gewonde aarde.
 
Na dit gesprek lopen Marijke en ik naar de speeltuin om te bepalen waar we het hart gaan tekenen.   De rolverdeling tussen Marijke en mij is duidelijk. Ik kijk vooral naar de praktische kant van zo’n ceremonie. Er moet voldoende ruimte zijn voor 150 mensen en daarvoor moet het hart enigszins centraal in de speeltuin geplaatst worden. Ik zorg voor een stokje met een touw om de diameter van het hart te kunnen bepalen. Doordat Marijke zich geen zorgen hoeft te maken over deze aardse zaken, kan zij precies afstemmen op de plaats waar het hart moet komen en hoe het gedraaid is. Zij bepaalt de plaats van het hart door met de handen gericht naar grond zo zuiver mogelijk te voelen en de intentie van onze wens neer te zetten.  Zij loopt heen en weer, staat stil, voelt en loopt nog eens om het hart heen. De lijnen van het hart zijn nog steeds voor het gewone oog onzichtbaar, maar langzaam vormen zich ijle energetische lijnen die de omtrek van een hart aangeven. Ik kan dat zien en voel goed waar het hart moet komen, maar ik kan daar niet zo precies in mee gaan,  omdat ik mij er van bewust ben dat er ook ruimte moet zijn om de kinderen veilig om het hart heen te kunnen laten staan. Daar moet zelfs het energetisch hart van het hart een beetje voor wijken.
We komen tot overeenstemming en sluiten dit passen en meten af door samen op de wip te gaan zitten en ons virtuele werk nog eens van een afstandje te bekijken.
Het plan is om nu de reinigingsmeditatie te doen teneinde contact te maken met deze plek en te kijken wat daar verder nog nodig is, maar we zijn beiden uitgeput!
Nog geen drie kwartier zijn we bezig geweest op de speelplaats en al onze energie is weggesijpeld. Ik ben leeg…
Marijke neemt het besluit om ons terug te laten brengen naar het hotel. Ik kan alleen maar volgen. Ik ben niet meer in staat om iets te beslissen. We zoeken Benny en hij schrikt van onze uitstraling. Hoe kunnen we er zo moe uitzien? We zijn immers maar kort bij het Somawathi house geweest?
 
 
Vuurtorens   
 
Het laat mij niet los wat er die middag gebeurde. Marijke en ik waren veel vermoeider dan normaal voor de geringe inspanning die we geleverd hadden. Hoe konden we zo uitgeput raken in zo’n korte tijd?
Het antwoord blijft uit en we gaan eerst een paar uurtjes rusten en misschien wat slapen. 
 
En dan krijg ik plotseling het volgende beeld:
Ik zie ons tweeën rondlopen in de speeltuin bij de speeltoestellen en ook op het grote stuk braakliggend terrein waar het zo fijn is om cricket te spelen. Daar hebben we ruimte genoeg om onze ceremonie te houden.
We maken ons druk over de plaats van het hart en lopen heen en weer. Steeds zijn we bezig op minstens twee verschillende energie frequenties. Een zeer aardse frequentie waarin we waken over de veiligheid van de kinderen en die ons doet beseffen dat we dorst hebben en iemand water laten halen. En dan nog een andere frequentie. Die waarin we contact maken met de onzichtbare wereld en die ons de inspiratie geeft om zorgvuldig en zuiver de intentie van de ceremonie ‘in de lucht’ te schrijven.
Tegelijkertijd zijn we ons volledig onbewust van het feit dat als twee vuurtorens ons Licht, onze Intentie, uitdragen. Van verre is te zien en te voelen met welke intentie wij daar bezig zijn.
En net zoals de kinderen van het weeshuis nieuwsgierig komen kijken wat wij aan het doen zijn, zo hebben wij ook bezoekers uit de onstoffelijke wereld.
Zonder dat we het door hebben trekken we heel veel dolende zielen aan.
Inmiddels hebben zich honderden Zielen verzameld bij, in en rondom ons Licht. Als een lamp trekken wij ze aan.
Dan realiseer ik mij met een schok dat het niet meer alleen om de Aarde gaat… 
We moeten er rekening mee houden dat we veel Zielen moeten helpen om naar het Licht te gaan. Veel en veel meer dan we vermoeden. We zullen veel hulp uit de geestelijke wereld moeten vragen, anders kon dit wel eens teveel worden voor ons.
 
 
 
 
Overgang of exodus
 
Om vier uur zijn we terug bij het Somawathi House en we zoeken we in de omgeving van de speeltuin en een geschikte plek om stil te zitten. Het terrein loopt glooiend op en bovenop de heuvel is een vlak stukje grond waar we gaan zitten. Ik had nooit gedacht dat ik dit ooit nog eens zou doen : we gaan gewoon zichtbaar voor iedereen bij de pottenbakkersplaats zitten. Opgetogen komt een aantal kinderen kijken wat we doen. We leggen een kleedje neer en zetten er twee halve kokosnoten op. Als Marijke haar rozenkwarts en bergkristal neerlegt zoeken de kinderen naar andere mooie stenen, veertjes en bloemetjes. Het wordt de kinderen duidelijk wat we gaan doen als we ook een wierookstokje aansteken. Een paar kinderen zoeken wat stenen ter grootte van een vuist en maken een rondje waar de spulletjes in kunnen staan, zodat ze niet de heuvel afrollen. Het lijkt waarachtig wel een klein altaartje.
Nieuwsgierig blijft een aantal kinderen kijken, maar ‘blanke mevrouwen die de hele tijd stilzitten’ zijn niet erg interessant en ze verliezen al snel hun belangstelling. Sommige kinderen gaan naar hun paviljoen en anderen blijven onder aan de heuvel kijken of in de buurt spelen. Pas veel later wordt duidelijk waarom deze kinderen mochten blijven.
 
Het wordt rustig om ons heen.
Het is een tropische namiddag. De ergste hitte neemt af en een zacht briesje strijkt over het terrein waar het weeshuis staat. We hebben vanaf de heuvel een goed uitzicht over het terrein van het weeshuis. We kijken bovenop de speeltuin en verder naar beneden zien we het hoofdgebouw. Achter ons staat een van de paviljoens waar de kinderen gehuisvest zijn. Links van mij is een eenvoudige pottenbakkersplaats gemaakt. Een oven met een gammel tafeltje en een dak erboven stelt de kinderen in staat om te leren hoe ze hun eigen servies kunnen maken. Sri Lanka is een ontwikkelingsland en de kinderen moeten leren om in hun eigen onderhoud te voorzien.  Het is niet druk in de speeltuin; de meeste kinderen zijn naar hun extra lessen en alleen wat kleintjes kijken tijdens het spelen zo nu en dan naar boven. De grond waar we op zitten is van keiharde, gele klei en alleen wat zielige grassprietjes groeien tussen de scheuren. Een door de hitte kromgetrokken boom geeft wat schaduw. We zetten een flesje water tussen de stenen van het altaartje. Mediteren kan een langdurig werkje zijn en wij moeten er zelf voor zorgen dat we niet uitdrogen.
 
Marijke en ik benoemen om beurten de intentie waarmee we plaats genomen hebben op deze heuvel. Na het beeld dat ik die middag kreeg van de vele Zielen die nog geen rust hebben gevonden, is wel duidelijk geworden wat er van ons verwacht wordt.  We ervaren dit beiden als een eer, maar wij realiseren ons dat we daar zeer zorgvuldig en zuiver mee om moeten gaan. Bovendien is hier sprake van zulke grote aantallen dolende Zielen dat we ons ook bewust moeten blijven van onze aardse beperking en gehechtheid. Wij hebben beiden het talent om deze Zielen bij te staan in hun vraag om hulp, maar wij zijn tegelijkertijd ook gelimiteerd in het geven van onze hulp. Eenvoudigweg omdat we verbonden zijn met ons lichaam. Een mensengeest kan ver reiken, maar er is een grens voor de levenden om de doden te helpen. Die grens kunnen we niet overschrijden.
We vragen leiding en hulp vanuit de onstoffelijke wereld. Dat is bijzonder prettig om te doen; het helpt focussen op ‘de opdracht’ en het geeft ruimte aan onze eigen onzekerheden.
Geleidelijk aan voelen we ons sterker en steviger worden en langzaam worden we ons bewust van een subtiele, zachte kracht : “Waar twee of meer verzameld zijn in Mijn naam, ben Ik aanwezig..”
Ik schuifel nog wat heen en weer omdat er scherpe steentjes in mijn achterste prikken, maar tenslotte voelt de kleermakerszit comfortabel en langzaam word ik stil.
Ik blijf mij volledig bewust van mijn omgeving, maar als vanzelf bouwen zich een diepe concentratie en helderheid op.
En dan zie ik ze:
 
 
Witte, ijle gedaanten met de contouren van een volwassen mens. Hoe langer ik mij concentreer, hoe meer ik er zie.  Ik ervaar ze allemaal als zeer terneergeslagen, vermoeid, verdwaald of radeloos.  Het beeld heeft ook niet echt een kleur. Ik zie alles in een roomwitte kleur. Met alleen de intentie van kleuren. Ik onderscheid vormen maar doorzichtig en transparant. Door de lichaamshouding en de grootte van de spirits krijg ik de indruk van de leeftijd en het geslacht.
Het zijn er veel. Heel veel.
Ik visualiseer een Poort, breed genoeg om een groep mensen door te laten. Plotseling verschijnt een aantal wezens Licht naast de Poort. Met respect buig ik voor deze verschijningen. Het Licht dat zij uitstralen is niet het roomwit van de rest van het plaatje, maar een zacht glanzend, helder Licht.
Ook zij hebben de vorm van een mens, maar het is veel moeilijker er een vorm in te zien. Bovendien is het Licht zo glanzend dat je er nauwelijks lang naar kan kijken. Zoals je in een huiskamer ook niet in de lamp kan kijken, maar het licht overal ervaart.
Liefdevol en bemoedigend markeren zij de Poort en zij begeven zich naar binnen en naar buiten. Niets is statisch. Het is een levendig beeld.
De spirits lopen naar de poort. Soms aarzelend, soms achterdochtig of bang.  De engelen, want dat zijn het, nemen de spirits onder hun hoede en geven ze leiding en sturing en wijzen de weg. Zodra de spirits de engelen opgemerkt hebben zit de taak van Marijke en mij er op. Het is onze taak om de katalysator te zijn voor deze groep spirits. Wij vormen de brug tussen de spirits en de Engelen. Marijke en ik zitten hier om hen opmerkzaam te maken op het feit dat zij hun lichaam verlaten hebben en dat zij voort kunnen bestaan in een andere vorm. Dat doen we door woordeloos te communiceren met de roomwitte gestaltes en hen opmerkzaam te maken op de wezens van Licht. Doordat wij nog in een lichaam leven hebben we een andere trillingsfrequentie dan de mensen die hun lichaam hebben losgelaten en overleden zijn. Over het algemeen gaat sterven geleidelijk en bereidt een mens zich , min of meer bewust, voor op de dood. Bij een ramp van deze omvang is het intreden van de dood onverwacht en traumatisch. Vaak weten spirits ook (nog) niet dat zij niet meer beschikken over een lichaam. Zij klampen zich vast aan datgene dat hen bekend is: een aards leven. Zij blijven aanwezig in de buurt van de plaats waar zij woonden en vlak bij familieleden die hen dierbaar zijn. Daardoor maken zij niet de overstap naar een andere dimensie.
 De enige taak van Marijke en mij is de rol van katalysator. Woordeloos nodigen wij de spirits uit om ons op te merken, waarna wij ze opmerkzaam maken op de Poort. Daarna is het beeld uitnodigend genoeg om hen zelf de stap te laten maken naar het Licht.
Het zijn er honderden.
Sommige gaan alleen door de Poort, anderen sluiten zich aan bij een groepje en bewegen zich met elkaar naar de Poort. En altijd is er de liefdevolle uitnodiging.
Tot nu toe had bleef ik steeds overzicht houden op wat er gebeurde, maar ik besluit om preciezer te kijken wat er gebeurt.
Als ik inzoom op wat er met de spirits gebeurt als ze naar de poort lopen, dan krijg ik het gevoel dat zij een boodschap krijgen  van veiligheid en rust. Zij hebben een lange periode in een staat van onwetendheid verkeerd. Een periode van ‘niet weten waar naar toe’ en ook niet weten ‘hoe’
Steeds weer werden zij geconfronteerd met de onmogelijkheid om contact te krijgen met de overlevenden van de ramp.
 
 
Sommigen vinden het nog moeilijk om de stap te maken. Zij zijn zich bewust van het feit dat ze hier iets achterlaten waar ze aan gehecht zijn. Er dienen zich ouders van de kinderen van het Somawathi House aan. De moeder van Kazun laat zich even zien. Evenals een broertje of een zusje van een van de kinderen die hier spelen.
Zij aarzelen tussen door de poort gaan of in de buurt blijven van hun kind.
Ik weet dat hier blijven geen optie is; de spirit krijgt geen rust en het kind ook niet.
Op de een of andere manier belemmert het de geestelijke groei van het kind. De overledene, de vader of de moeder, mag in de herinnering gaan en het is niet de bedoeling dat ze met hun energie in de onmiddellijke nabijheid van het kind blijven. Het doet het kind geen goed en is uitzichtloos voor de overleden ouder.
De spirits die hun aarzeling of gehechtheid laten weten aan de engelen , krijgen de verzekering dat er goed voor hun kind gezorgd wordt. ‘Geef het over’ is de boodschap die de spirits krijgen van ons en van de engelen en dan gaan zij ook richting de poort en het Licht.
 
Ik trek mij iets terug uit dit beeld.
Het inzoomen is goed om duidelijk en meer in detail te zien wat er gevraagd wordt, maar ik word snel te emotioneel betrokken bij een individuele vraag en voel direct het verdriet. Enige afstand is geboden. Ik kom zelfs even uit trance, neem een slok water en wissel zachtjes even mijn ervaring uit met Marijke.
We zien dat er een paar kinderen onder aan de heuvel bij de trap staan. Een van hen is Kazun. Ze kijken stilletjes naar ons.
Zouden ze voelen wat er gebeurt?
Overigens zijn onder de spirits niet zoveel kinderen. Het lijkt of zij lang geleden, kort na hun overlijden, hun overgang naar het Licht al gemaakt hebben. Op hetzelfde moment als de vraag ontstaat komt ook het antwoord:
Ik krijg een beeld van een Kinderrijk. Een plek waar ze kunnen spelen, groeien, blij zijn en nooit angstig of alleen. Een rijk waar een overvloed aan liefde, warmte en aanvaarding is.
Volwassenen kunnen hen zien, ervaren, maar kunnen er niet wonen… Kinderen blijven daar tot ze de keuze maken om de stap naar volwassenheid te doen.  Kind zijn in de geestenwereld, in de onstoffelijke wereld, is een keuze van de Ziel.
 
Dan voel ik mij rustig en zacht, zonder dwang maar onvermijdelijk weer in trance gaan.
Ik volg opnieuw het beeld van de spirits, nu weer in overzicht. Ik zie hoe ze met velen langs ons lopen op weg naar de poort. Dan word mijn aandacht getrokken naar een onbekend beeld dat ik niet herken. Het is duidelijk een stuk grond, maar ik kan het niet plaatsen.  Het zou de speeltuin kunnen zijn, maar net zo goed elk ander willekeurig stuk grond.
En, terwijl ik kippenvel krijg van mijn kruin tot mijn tenen, ontvouwt zich het volgende beeld.
 
 
De aarde splijt open…
Er ontstaan scheuren in de grond zoals gebeurt bij extreem uitgedroogde klei. De scheuren openen zich verder en ik zie dat  spirits en Lichtwezens zich  verzamelen bij de opgebroken aarde.
Een van hen buigt zich voorover en tilt iets uit de aarde. Het heeft iets weg van een mensenlichaam, gewikkeld in een wit kleed. Er zit geen leven in. Ik zie, kijk toe en begrijp dat dit ook spirits zijn, maar in de vorm van gestolde energie. De terror van het overlijden is destijds zo groot geweest dat deze doden onmiddellijk in een shocktoestand opgenomen zijn door de aarde.  In deze energetisch bevroren toestand is het zelfs onmogelijk om als spirit aanwezig te zijn.
Voor heel veel van deze spirits is ook nooit een overgangsritueel gehouden.
 
Eén voor een halen de Lichtwezens deze starre en stijve pakketten uit de aarde en dragen ze met oneindig veel respect naar de poort. Daar worden ze overhandigd aan andere Lichtwezens die met de pakketjes door de poort gaan en uit mijn gezichtsveld verdwijnen. Vervolgens keren de spirits terug om de volgende dode op te halen. Aan de vorm te zien, lijken het stuk voor stuk volwassenen die uit de aarde gehaald worden. Ik zie geen kindervormen. Het is een treffend beeld om te zien hoe deze gestolde energie op vooruit gestoken armen gedragen worden naar de poort. Het getuigt van  zoveel respect, zorg en aandacht. En liefde… heel veel liefde. 
 
Ik weet dat deze vormen van gestolde energie aan de ‘andere kant’, in de onstoffelijke wereld, heel goed verzorgd gaan worden. Zij zullen nog geruime tijd in deze staat van verstarring blijven, maar onder invloed van zorg, aandacht en liefde langzaam ontwaken. Over een tijdje zal hun energie weer gaan stromen en beetje bij beetje zal deze spirit weer gaan wennen aan ‘leven in een Lichtlichaam’ .
Als het tijd is zullen ze ook weer hun Zielsopdracht herinneren en verder gaan in de evolutie.
 
Ruim twee uur zitten Marijke en ik op de heuvel en doen daar ons onzichtbaar werk. Het wordt al donker als we het gevoel krijgen dat we ons terug moeten trekken uit de meditatie en de voortzetting van het begeleiden van deze uittocht over laten aan anderen. Onze taak als katalysator zit erop.
Ik ben blij en ook een beetje opgelucht, want dit vraagt veel concentratie. Door een meditatie als deze, verblijven wij geruime tijd tussen hemel en aarde. Dat is op den duur vermoeiend en met liefde laten we het over aan de experts in de energiewereld.
Intuïtief weten we dat dit proces nog de hele nacht zal doorgaan. Marijke en ik sluiten de meditatie af en bedanken elkaar, de spirits en onze beschermengelen. 
Wij gaan terug naar ons guesthouse om te eten en te slapen, want morgen starten de voorbereidingen voor het houden van een grote ceremonie met alle kinderen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Deel 2.
De aarde is gewond, hoe kunnen we haar helpen? We houden met alle kinderen een grote ceremonie waarin we de aarde troosten en een medicijn maken.
Door het maken van deze ceremonie delen de kinderen hun leed met de aarde en geven zichzelf en de aarde troost, vergeving en bemoediging.
 
 
 
 
 
Voorbereidingen
 
Het is heerlijk om met Benny, mijn gids, boodschappen te doen in Galle, een oud vestingstadje in het zuiden van Sri Lanka. We struinen door de kleine straatjes op zoek naar de spullen die we nodig hebben voor de ceremonie. In deze chaotische, stinkende stad is van alles te koop. Je moet alleen wel weten waar, maar dat kan ik met een gerust hart overlaten aan Benny. Wij zoeken onze weg door de smalle straatjes. Bijna worden we omvergelopen door een koe die stoïcijns haar weg zoekt tussen de auto’s en fietsen. Koeien zijn heilig in Sri Lanka. Net als in India, lopen ze vrij rond en aanschouwen het verkeer en terwijl ze rustig herkauwen, rijdt het verkeer links en rechts voorzichtig langs hen heen. 
De koe wordt als heilig beschouwd omdat het de mens van vijf essentiële producten voorziet– melk, boter, yoghurt, mest en urine. De mest wordt gedroogd en dient als brandstof en aan de urine wordt een geneeskrachtige werking toegeschreven. Bovendien is de koe een werkkracht op het platteland. Het is een eerbetoon aan een dier dat door de grote Hindoe geleerden wordt aangeduid als 'de moeder der schepselen'.
Helaas is er niet veel tijd om mij te verliezen in het straatbeeld van Galle en te mijmeren over het verschil tussen Oost en West, want er is een lange lijst met artikelen die we moeten kopen.
 
Ceremoniële Ingrediënten
 
Het boodschappenlijstje staat vol met artikelen die we nodig hebben voor de ceremonie. Het meeste is wel te koop, maar soms moeten we er lang naar zoeken. Maar wie verwacht de spullen snel mee te kunnen nemen, vergist zich. Als we gevonden hebben waar we naar zoeken, volgt altijd het tijdrovende spel van loven en bieden. Gelukkig kan ik dat overlaten aan mijn gids. Benny kent het spel en de regels. Hij vraagt de prijs en klakt eens misprijzend met zijn tong. Dan doet hij vervolgens zo’n laag tegenbod dat de handelaar een sissend geluid maakt en driftig met zijn hoofd schudt. Hoewel ik het spel ken en niet zo snel geïntimideerd ben door het dramatische toneelspel dat kan volgen op een veel te laag (of te hoog) bod, ben ik wel verrast als Benny en de verkoper meerdere keren niet tot overeenstemming komen en wij weer doorlopen naar de een volgend winkeltje. Mijn aanwezigheid is daar ook debet aan. Immers, het boodschappen doen met een westerse, blanke vrouw staat in de ogen van de gemiddelde Srilankaan gelijk aan geld. En hoewel Benny de aankopen doet is mijn aanwezigheid al voldoende om de prijzen 5 keer over de kop te laten gaan. Gelukkig is Benny vasthoudend en uiteindelijk loont ons geduld en krijgen we een goede prijs voor de artikelen.
 
Wat hebben we nodig?
 
160 kleipotjes 
Ik zag bij een Boeddhistische tempel een rek met kleine kleipotjes waarin een klein vlammetje brandde. Deze traditionele terracotta potjes worden voornamelijk gebruikt bij Hindoeïstische religieuze festivals, maar het zijn blijkbaar handige kandelaartjes die bij beide religies gebruikt worden.
Bij nadere inspectie bleken deze kleipotjes, Diya’s, gevuld te zijn met olie en daarin dreef een lontje. Het lontje wordt aangestoken en geeft een lichtje. Ieder kind in Sri Lanka kent dit gebruik.
Maar het leek mij niet zo’n goed idee om 120 kinderen met een kleipotje gevuld met olie in de kring te laten staan. Ze hebben maar kleine handjes en onrustige voetjes en met zo’n potje met olie moet je wel heel stil staan.
 
160 kaarsjes
De kaarsjes staan symbool voor  het verspreiden van Licht.
Wat kunnen ideeën, die hier in het Westen zo snel vorm kunnen krijgen, ons voor een probleem stellen in een tropisch ontwikkelingsland. Omdat we de kinderen geen lampje, wat bestond uit een potje met olie willen laten dragen ontstaat het idee om kaarsjes te gebruiken. Steviger en veiliger, denken wij, maar in het land van de thee zijn geen theelichtjes te krijgen. Waxinelichtjes zijn een Europese vinding. Het gebruik van kaarsjes kent men wel, maar het wordt hier niet veel gebruikt. In een ontwikkelingsland zijn kaarsjes een luxe artikel; ze worden alleen voor religieuze toepassingen gebruikt. Na lang zoeken vinden we achter in een stoffig winkeltjes doosjes met kaarsjes. Opgelucht kopen we acht pakjes met kaarsjes van zo’n vijftien centimeter lang. Pas later, als we de kaarsjes in de kleipotjes willen plakken, blijkt dat ze bijna allemaal aan elkaar gesmolten zitten door de hoge,tropische temperatuur.
 
4 emmers
Tijdens de meditatie waarin ik zocht naar een idee om het terrein te zuiveren , kreeg ik ook het idee om bloemen te vermengen met zand. Het zand dat door de tsunamie aan land gebracht werd is vuil. De zeebeving bracht veel extra troep (opgewoeld zand, modder, afval) op de stranden. Het is de bedoeling om 4 emmers te vullen met gezuiverd, wit zand.
 
120 bloemen
De bloemblaadjes worden vermengd met het zand. De energie van een bloemblaadje is heel zacht en ze zijn fijn van kleur. Bloemblaadjes kunnen nog geuren, ook nadat ze van de steel verwijderd zijn. Het is deze zachte trilling die ik graag zou vermengen met het gezuiverde zand.
Het kopen van de bloemen is niet zo’n eenvoudige opgave. In een tropisch land als Sri Lanka zijn de bloemenwinkels dun gezaaid en bovendien zijn bloemen erg duur. In een dit land zijn bloemen een luxe artikel. Ze worden soms gebruikt bij trouwerijen en ceremonies en zijn dan een offer aan de Goden. Echte bloemen worden zelden gebruikt ter decoratie, daar zijn hun plastic tegenhangers voor. 
Zowel Boeddhisten als Hindoes gebruiken bloemen om te offeren. Maar zij zoeken hun bloemen niet in een bloemenwinkel, maar maken gebruik van datgene dat de natuur in een tropisch land volop in voorraad heeft. Namelijk de bloemen van struiken en bomen.
 
150 plastic bekertjes
Plastic bekertjes zijn inmiddels wereldwijd bekend en dus ook verkrijgbaar in een minimarket in Sri Lanka.
 
Wierook
Bij elk ritueel wordt wel wierook gebruikt. Het is belangrijk voor de spirituele beleving van de mens. Het dient meerdere doelen tegelijk. De wierook wordt gebruikt om de Goden gunstig te stemmen, geen God kan de heerlijke geur weigeren. Zodra het wierookstokje is opgestoken wast men de handen in de rook en tezamen met de rook stijgen ook de gebeden op naar de Goden.
Spiritueel gezien staat het branden van wierook symbool voor zuiverheid, mededogen en wijsheid en wordt het gebruikt om ruimtes te zuiveren van negativiteit.
Maar het wordt ook heel praktisch gebruikt om de stank van andere offers te verdoezelen.
Het is in overvloed te koop in Sri Lanka, dus dit artikel gaf geen probleem.
 
4 rieten schaaltjes
De bloemen hebben  een plateau nodig om op te liggen, omdat ze pas later in de ceremonie gebruikt gaan worden.
 
 
 
 
 
 
 
Kilo meel
Een ceremonie maken en uitvoeren doe je nooit alleen! Ik ervaar in de korte tijd tussen het bedenken van de ceremonie en het uitvoeren van het plan dat andere mensen het idee van de ceremonie adopteren en er in gedachten hun eigen voorstelling van maken. Dat heeft tot bijzonder gevolg dat zij meehelpen om kleine, onvoorziene details die mogelijk een obstakel  kunnen worden, te helpen voorzien. 
Benny komt naar mij toe om mij erop te attenderen dat het we het hart niet kunnen zien als we het in de harde zandgrond tekenen met een stok. Het is heel donker tegen de tijd dat de ceremonie van start gaat en niemand kan precies zien waar de lijnen van het hart staan. Is het een idee om de omtrek van het hart te tekenen met meel?
 
Lucifers
Vuur maken is ook een ritueel dat gebruikt wordt in vele tradities. Het vuur is een symbool van transformatie.
 
Heilig water
Elke religie kent het gebruik van Heilig Water. Het water heeft zijn Goddelijke imprint gekregen door gebeden en eventuele offerandes, waardoor het gezegend is. Het sprenkelen van water wordt gebruikt om voorwerpen te reinigen of te zuiveren. Maar ook bij het uitdrijven van kwade geesten, om ziektes te voorkomen en bij dodenrituelen wordt Heilig Water gebruikt.
 
 
 
De ceremonie
 
Met een volle auto rijden we terug naar het hotel om te eten en te rusten en aan het eind van de middag gaan we met al onze spullen naar het Somawathi House.
 
Het is bijzonder om te ervaren hoe groot het vertrouwen is van alle volwassenen om mij heen. Nog maar drie dagen geleden betrad ik voor het eerst het terrein van het weeshuis en nu helpt iedereen mee om de ceremonie zo goed mogelijk te laten verlopen. De kinderen weten van niets en blijven rondom hun paviljoen, maar de volwassenen die klaar zijn met hun werkzaamheden in het weeshuis komen nieuwsgierig kijken wat we aan het doen zijn. Alleen Marijke is tot in detail op de hoogte van deze bijzondere ceremonie en we verdelen zo goed mogelijk de taken.
Ton, onze ‘hoffotograaf’, heeft vier emmers gevuld met het witste zand dat hij kon vinden en aangekomen bij het weeshuis verwijdert hij alle takjes en andere onzuiverheden uit het zand.
Drie mensen gaan aan de slag om de kaarsjes in de kleipotjes te plakken en ik haal de bloemen van de takken en verdeel ze over de vier rieten schaaltjes.
Zo tegen zes uur gaan Marijke en ik naar de speelplaats om het hart te tekenen op de stoffige ondergrond. Van een papier heb ik een slagroomspuit gemaakt en deze gevuld met meel. Marijke tekent, om het hart duidelijk te kunnen zien, de contouren van het hart met wit meel.
Het wordt nu snel donker.
 
De energie in de speeltuin voelt rustiger na de reinigingsmeditatie van gisteren middag.
Dit zal een goede plek worden; daar vertrouwen wij op.
 
De mannen brengen alle spullen die we nodig hebben voor de ceremonie naar het bankje in de speeltuin. Vier dienbladen vol met kleipotjes met een kaarsje erin gesmolten, vier emmers met zand en vier rieten bakjes met de bloemknoppen. Middenin het hart plaatsen we vier kokosnoten, welke gevuld zijn met bloemetjes en plaatsen daar stokjes wierook in. Het geheel besprenkel ik met wat Heilig Water.
Ziedaar, een mini altaartje midden in het hart. Midden in de speeltuin. Midden op het terrein van het Somawathi Holland House of Hope.
De emmers staan verspreid over de vier windrichtingen rond het hart, evenals de rieten bakjes met bloemetjes.
Bij het laatste licht verzamelen de kinderen zich rond het hart. Ze komen in groepjes van acht in hun witte tempelkleren naar de speeltuin en vormen het begin van een kring. De caremothers zorgen dat de kinderen gedisciplineerd naast elkaar staan. Steeds komt er een groepje kinderen bij. Ze zijn nieuwsgierig en opgewonden door deze bijzondere bijeenkomst. Wat zal er gaan gebeuren? Waarom hebben we onze tempelkleren aan? Dit moet wel iets heel bijzonders zijn….
Alle kinderen krijgen een kleipotje met een kaarsje erin en de volwassenen ontsteken de lichtjes.
Dit is een serieuze zaak: dat kan je zien aan alle gezichtjes!
Er branden nu 140 kaarsjes. Iedereen is in het wit.
Ik sta met Marijke en Mr. Eric aan de rand van het hart en we voelen 140 paar ogen op ons gericht.
 
Ben ik nerveus? Nee, niet meer. Ik was gespannen toen we hierheen reden. Maar nu, nu het er op aan komt, vraag ik mij alleen maar in stilte af hoe ik aan de kinderen ga vertellen waarom we hier staan……..
Het is nu helemaal donker en het enige licht komt van de kaarsjes die de kinderen vasthouden.
 
Marijke en ik stappen het hart binnen dat we midden op de speelplaats getekend hebben en op dat moment wordt alles stil.
De wind gaat liggen. De krekels stoppen met raspen. 120 kinderen en 40 volwassenen en talloze spirits wachten gefascineerd op wat er komen gaat. Niemand lacht, niemand hoest of heeft kriebel. Niets beweegt…. Iedereen wacht af.
 
Ik ben onder de indruk van de stilte en voelt tegelijkertijd alle ogen die afwachtend op mij gericht zijn. 
En dan stromen vanzelf de woorden uit mijn mond. Ik vertel aan de kinderen dat de aarde gewond is. Maar dat de aarde niet naar de dokter kan, want daar is ze veel te groot voor.
Ik vraag de kinderen of ze zelf wel eens gevallen zijn? Deed dat pijn? Wat deed mama daar aan? Wat deed de dokter daar aan?
De aarde heeft ook pijn en wil graag getroost worden en een medicijn. Wij volwassenen willen de aarde heel graag helpen, maar de aarde is heel groot en wij, grote mensen, kunnen dat niet alleen. Willen de kinderen helpen?
Mr. Eric staat naast mij in het midden van het hart en vertaalt mijn woorden in het Singalees.
Alle kinderen kijken gespannen naar ons terwijl ze het brandende kaarsje vasthouden. Sommige kinderen zitten helemaal in het verhaal en vergeten hun kaarsje waardoor het langzaam steeds schever komt te hangen. Maar gelukkig zien de volwassenen het gevaar en helpen voorzichtig en tactvol een ongelukje te voorkomen.
Andere kinderen hebben het zo druk met het brandende kaarsje in hun handen, dat het hele verhaal aan ze voorbij gaat. Als je in het donker, misschien voor het eerst van je leven, zo’n kaarsje vasthoudt is dat natuurlijk superspannend.
Ik houd mijn verhaal kort, maar kan niet verhinderen dat de zinnen van Mr. Eric minstens vijf keer zo lang zijn als de mijne. Maar ik versta niets van het Singalees en vertrouw erop dat de boodschap goed overkomt.
Ik vertel dat we als eerste de aarde laten weten dat we hier zijn en dat we graag willen dat ze weer beter wordt. Als alle kinderen tegelijk ‘oh, oh’ roepen, weet ik dat het goed zit.
“Oh” betekent “Ja”.
 
De eerste acht kinderen, het zijn de kleintjes van ongeveer zes jaar, lopen voorzichtig met hun brandende kaarsje naar het midden van de cirkel en zetten het potje op de lijn van het hart.
Van Marijke en mij krijgen ze een bloemetje dat ze mogen verpulveren in één van de emmers met wit zand.
De emmers staan strategisch opgesteld buiten het hart. Mr. Eric helpt door aan de kinderen duidelijk te maken wat ze moeten doen en zegt daarbij ongeveer 120 keer in het Singalees: ‘plower,plower, cuddle, cuddle” en hij wijst daarbij naar de emmer.
Gedisciplineerd doen de kinderen hun opdrachtje. Niemand valt, lacht, struikelt, duwt, huilt of zegt iets.
Ik zie donkerbruine oogjes in volle concentratie gericht op het kaarsje, naar het hart toe schuifelen..
En als ze dan eindelijk bij het hart zijn aangekomen en het kaarsje op de rand van het hart hebben neergezet, kijken ze mij met grote glimmende donkerbruine oogjes aan. Trots op hun prestatie.
Want stilstaan met een kaarsje is al spannend. Maar als je er dan ook nog mee moet lopen is dat werkelijk het summum van wat je kinderbeentjes kunnen verdragen.
 
 
 
Regelmatig heb ik kippenvel en stroomt mijn hart over van vreugde voor de kinderen. Paviljoen na paviljoen komen er groepjes van acht kinderen met hun ‘caremother’ naar voren. De andere volwassenen zorgen ervoor dat alles in goede orde verloopt. Ze wijzen de kinderen op een vrij plekje waar nog plaats is voor hun kaarsje, ze verdelen de kaarsjes beter op de lijn, begeleiden de kinderen naar de emmer…. En ondertussen doet Sam zijn belangrijke taak om de wierook brandende te houden in het midden van het hart.
 
 
Als alle kaarsjes staan en het brandende hart volledig zichtbaar is, dragen we de emmers met het zand en de verpulverde bloemetjes het centrum van het hart binnen.
Ik wenk Mr. Eric weer terug in het midden van het hart en hij vertaalt mijn woorden.
Ik bedank de kinderen voor hun vriendelijkheid om zo iets moois te maken voor de speeltuin en wijs op het hart. “Het is nu tijd om het speciale medicijn voor de aarde te maken. Jullie hebben al meegeholpen om de bloemen klein te maken. Van de bloemen en het zand maken wij een medicijn.”
En ten overstaan van al die nieuwsgierige oogjes, die geen moment twijfelen aan hetgeen wij doen, scheppen Marijke en ik het zand om en om in de emmers, zodat het zich mengt met de bloemen.
We voegen Lichtmoleculen toe aan het mengsel en vermengen dat met de intentie van warmte en respect.
Ik vertel dat alle kinderen een bekertje krijgen met dit speciale zand en dat ze dit medicijn zelf aan de aarde mogen geven. Zij mogen het uitstrooien over het terrein op de plaats waar zij denken dat de aarde het medicijn het meest nodig heeft. Waar ze maar willen en wanneer zij dat willen.
De intentie is de kinderen helemaal duidelijk en zijn schudden hun hoofdjes zachtjes heen en weer.
Ik vraag Mr. Eric nog even of hij wil vermelden dat het niet binnenshuis moet ( je weet maar nooit waar ze in hun enthousiasme het bekertje met zand omgooien) en het hoeft ook niet perse in de speeltuin in.
Maar dan ik realiseer mij dat ik nu denk als een moeder: Als er acht kinderen tegelijk hun bekertje zand in de huiskamer strooien omdat zij denken dat de aarde het medicijn daar kan gebruiken, dan wordt het huis een zandbak.
In gedachten zucht ik maar eens en laat het over aan de Voorzienigheid, de pleegmoeders, maar vooral aan de kinderen zelf, waar zij het zand uitstrooien.
 
Eén voor een komen de kinderen naar voren en ontvangen een bekertje met dit speciale zand. Alle volwassenen helpen met mee met het uitdelen van de bekertjes en dan gaan de kinderen in ganzenpas weer terug naar hun paviljoen. Trots dragen zij het bekertje zand met zich mee.
 
Is het echt een medicijn?
In de ogen van de kinderen is dit een echt medicijn. Als je het westerse concept van “een medicijn is een chemisch product” kunt loslaten, dan kom je aardig in de buurt van een natuurgeneeskundig verschijnsel dat daadwerkelijk geneest. In de landen waar ceremonies nog een belangrijke plaats innemen - en Sri Lanka is zo’n land- twijfelt men niet aan de geneeskracht van ceremonies en rituelen. Zowel het hindoeïsme, als het boeddhisme gaan ervan uit dat alles bezield is en een vorm van levensenergie bezit. Een ramp van deze omvang beschadigt de aarde en brengt onbalans in de levensenergie bij alles wat in en op de aarde leeft. Een ceremonie brengt de harmonie terug. Tezamen met de kinderen hebben wij gevraagd om hulp voor de aarde. En daarmee voor alles wat daarop leeft. De kinderen hebben de intentie uitgesproken om de aarde te helpen en daarmee helpen ze zichzelf.
Door het doorroeren van het zand en de bloemetjes neemt het zand ook helende energie op. Als je energie zou kunnen zien, zou je bemerken dat de atomen en moleculen van het zand veranderd zijn. Er zit “Licht” in….
Daardoor voelt deze ceremonie ook net even anders dan een spannend kampvuurverhaal dat we bij de scouting vertellen.
De volwassenen ervaren het zand ook als een medicijn.
Na afloop, als alle kinderen weer veilig terug zijn in hun paviljoens, blijkt er in iedere emmer nog een laagje zand over te zijn. Een aantal volwassenen schept handenvol zand in een plastic zak en neemt het mee naar huis. Ook Benny heeft een zak vol zand in de achterbak van zijn auto gezet.
Tenslotte gooit iemand het restant uit een emmer “over dat rotpad, waar iedereen steeds zijn nek over breekt…”
Tijdens de thee, na de ceremonie, vertelt iemand van de staf het volgende. Volgens de visie van de het  Hindoeïsme en het boeddhisme is alles bezield en elke keer als er een nieuw stukje van het weeshuis in gebruik genomen wordt vindt er een ceremonie plaats om aan de Goden voorspoed en zegen te vragen. Zo kwam er voor de opening van de paviljoens, de keuken en het hoofdgebouw een Hindoe priester om de ceremoniële riten uit te voeren.
Alle gebouwtjes, tot aan de pottenbakkersplaats toe, zijn ceremonieel gereinigd en geopend.
Behalve de kinderspeelplaats…
 
Twee dagen later bezoek ik opnieuw het weeshuis.
Overal tref ik witte vlekken aan op het terrein. De bloemetjes zijn al weggewaaid, maar de witte plekken zand getuigen van het werk van de kinderen.
 
 
Uitblazen
 
Deze hele week was inspannend, indrukwekkend, creatief en alles -ja, alles- werkte mee om het geheel tot een succes te maken.
Ik heb het gevoel dat ik een berg verzet heb.
Ik ben trots en blij. Maar het gevoel dat het meest overheerst is dankbaarheid. Als ik terugkijk op de vier dagen die het gekost heeft om deze ceremonie te creëren, ben ik zo blij en dankbaar dat we dit hebben mogen doen. Erop terugkijkend is het geheel van de ceremonie bedenken, plannen en uitvoeren binnen vier dagen op zichzelf al een wonder. Zeker gezien het feit dat we in de Tropen zijn.
Ik ben zo blij voor de kinderen, voor de berg, voor de volwassenen, voor de aarde en alle onzichtbare wezens die we wel voelen en ervaren, maar meestal niet kunnen zien!
 
Heel, heel graag ga ik vrijdagochtend vroeg op weg naar de pagode die gespaard is gebleven na de verwoestende werking van de tsunamie. Samen met Marijke en haar man lopen we over het strand naar dit Boeddhistische bouwwerk, dat lijkt op de Indiase stoepa. Een stoepa dient als bewaarplaats van relieken en heeft een symbolische functie.   Dit bouwwerk heeft de naam een gevoel van vrede, kalmte en voldoening te kunnen bewerkstelligen. Deze pagodes zijn toegankelijk voor alle mensen, ongeacht hun afkomst of religie. De pagode staat vrij van andere gebouwen, zodat de praktiserende boeddhist er, bij wijze van ritueel, omheen kan lopen om de relieken binnen te eren. Ieder kan de pagode betreden en tot Lord Boeddha bidden.
 
Hoewel ik geen boeddhist ben, heb ik de behoefte om mijn dankbaarheid uit te spreken aan Iets dat ik ervaar als een liefdevolle, stimulerende Aanwezigheid tijdens onze activiteiten. Elke plaats, door mensenhanden gebouwd en gewijd aan het Hogere, is goed genoeg voor mij om even stil te staan bij het wonder van de ceremonie. Een pagode voldoet aan mijn vraag.
In de wand van de pagode staat, in een kleine uitholling, een afbeelding van de Lord Boeddha. Een Boeddha voor elke windstreek. Met eerbied en respect voor wat de Lord Boeddha symboliseert betreden Marijke en ik het terrein waarop de meer dan manshoge stoepa is gebouwd.
Zachtjes pratend spreken we onze intentie en onze hardop dank uit. We vullen elkaar aan tot alles gezegd is.
Bij de eerste Boeddha bedanken wij voor het succes van de ceremonie.
Bij de tweede Boeddha spreken wij uit hoe blij we zijn dat we dit samen mochten doen. Wat een steun en inspiratie gaf dat!
We staan stil bij de derde Boeddha en danken onze voorouders, onze encestor spirits, voor de hulp en steun.
Tenslotte bedanken wij bij de vierde Boeddha onze familieleden, die ruimhartig toestonden dat we deze taak konden uitvoeren.
Voor ons beiden voelde dit als een goede afsluiting van onze samenwerking in deze intensieve week.
 
 
 
 
Deel 3.
Het derde deel is voor de kinderen.
Ik behandel een aantal kinderen individueel. Door het geven van traumahealing worden ze op weg geholpen in het proces van acceptatie en bij het verwerken van hun verdriet. De opgeslagen stress kunnen ze loslaten en daardoor gezonder door het leven.
 
 Wachten en tekenen
 
Het was niet eenvoudig om één op één met de kinderen aan de slag te gaan.
Ik ben in de afgelopen week uitgegroeid van een witte tante die op bezoek komt bij het weeshuis (hoera, hoera, weer iemand die cadeautjes komt brengen) tot iemand die kan praten met de aarde….
Mijn oorspronkelijke intentie was om hulp te bieden aan de kinderen en daarbij had ik individuele hulp voor ogen. Tot nu toe hadden we de kinderen alleen als groep gezien en ik probeerde de overgang te maken naar het individu door met ze te tekenen en kleine spelletjes te spelen. Buiten onder een knalgeel geverfd afdak, stonden een paar kleine tafeltjes en stoeltjes op kleuterhoogte en elke morgen ging ik met papier en kleurpotloden naar het weeshuis en leerde ze mikado en vier-op-een-rij spelen om hun vertrouwen te (her)winnen. Het was niet dat zij mij niet vertrouwden, maar het was belangrijk dat zij mij van het huizenhoge voetstuk afhaalden dat was ontstaan doordat ik met hen de ceremonie had gedaan.
In Azië is het respect dat de mensen hebben voor hun religieuze leiders diep en onvoorwaardelijk. Een priester heeft zijn credits verdiend door jarenlange studie en contemplatie of gewoon door zijn afkomst, en hij is een afgezant van de Goden. Hij kan contact maken met alles wat God gemaakt heeft en de kinderen hebben duidelijk gezien en meebeleefd dat wij contact hebben gemaakt met de aarde. Deze kinderen wisten ook wel dat de aarde ziek was, maar ze hadden het eigenlijk nooit zo duidelijk gezien als afgelopen donderdagavond en ze hadden zeker nooit kunnen vermoeden dat zij actief zouden kunnen meewerken aan een ceremonie om de aarde te genezen.
Marijke en ik hadden de leiding bij deze ceremonie en het leek alsof wij konden praten met de aarde. We moeten we er in de ogen van de kinderen uitgezien hebben als een priester. Niet helemaal hetzelfde als hun eigen vertrouwde Hindoe priester, maar toch….
 
Ik zocht dus een ingang om met de kinderen persoonlijk aan het werk te gaan en merkte tijdens de twee dagen dat ik tekende, kleurde en weer eens verloor met mikado spelen, dat er heel wat kinderen mijn individuele aandacht wel konden gebruiken.
Steeds urgenter werd de (mijn) behoefte om sommige kinderen even alleen voor mijn neus te hebben, want het tekenen was inmiddels uitgegroeid tot een massaal evenement waarin iedereen probeerde mijn persoonlijke aandacht te krijgen. Heel veel kinderen probeerden mij iets te vertellen door hun tekeningen of door zich op mijn schoot te nestelen. Toen er geen plaats meer was op mijn schoot ging een meisje rondjes rennen om de tafels en elke keer als ze mij passeerde kreeg ik een tikje tegen mijn hoofd. Dat spelletje vond al snel navolging, flink aangewakkerd door een meisje dat niet wilde tekenen en op deze manier haar eigen verhaal vertelde door een patroon te rennen als een bij in een korf.
Ondanks de chaos maakte ik met een aantal kinderen persoonlijk contact en wisselden wij onzichtbaar informatie uit. Het gaf mij een glimp van hun welzijn, zoals het meisje dat bij elk oogcontact zich terugtrok in zichzelf en zich zelfs helemaal onzichtbaar maakte door achter de deur te gaan staan. Of het meisje dat zich ijverde om mij te redden in de chaos en groepjes maakte van de kleintjes. Of de jongen die zo wanhopig graag wilde dat ik samen met hem een spel deed en dat liet merken door juist alle andere kinderen naar voren te schuiven. En dan heb ik het nog niet over de kinderen die geen moment stil konden zitten, die ruzie maakten en/of de buurman een pets verkochten als die precies het kleurpotlood pakte dat zij voor ogen hadden.
Ik zie kinderen die de weg kwijt zijn, kinderen die oncontroleerbaar zijn, kinderen die uit de groep gezet worden, kinderen die geen rust kennen en al die kinderen die geen bijzonder gedrag vertonen maar stilletjes hun gang gaan terwijl de tranen over hun wangen biggelen.
Soms is het gewoon te veel. Want als je dan zo heel, heel graag even bij de witte tante wil zijn, maar je bent niet opgewassen tegen al het kindergeweld om je heen, dan raak je gemakkelijk overprikkeld en komen de tranen.
 
 
 
Het kaste systeem
 
Het is niet altijd makkelijk om in een grote groep te functioneren. De meeste kinderen komen uit een gezin dat de kost verdient door te vissen of waar vader en moeder fruit en snoepjes verkopen in een kleine ‘shop’. Het zijn kinderen die komen uit een eenvoudige en overzichtelijke omgeving waarin een grote mate van vrijheid bij het leven hoort en alleen de broertjes of zusjes en de buurkinderen de sociale omgeving vormen. Generaties lang hetzelfde patroon van werken en armoede en tegelijkertijd van samenwerking en delen. Het dorp is je omgeving en daar ken je iedereen en iedereen kent jou.
 
Het is natuurlijk niet wetenschappelijk te bewijzen hoeveel problemen die de kinderen nu hebben een direct gevolg zijn van de ramp.
Er is überhaupt veel veranderd in de leefomstandigheden van deze kinderen. Voorheen woonden ze in een hutje aan het strand of een huisje in een dorp. Ze hadden ouders die zich om hen bekommerden en woonden op de plek waar ze geboren waren . Dat was een vertrouwde plek waar ze gekend werden door de gemeenschap waarbinnen ze geboren werden. Het bestaan van een kastenstelsel zorgt er in Sri Lanka voor dat ieder lid binnen zijn eigen kaste geaccepteerd wordt.
De jati waarin je geboren wordt, bepaalt je leven: je toekomstige beroep, je leefregels en gedragscodes, je religieuze plichten, je woonsituatie en je huwelijkspartner. Elke jati staat ergens op het pad van spirituele ontwikkeling. In het Hindoeïsme geloven de mensen dat het leven dat je leidt een goed of minder goed karma oplevert, wat weer bepalend is voor de wedergeboorte. Voor miljoenen kinderen in India en Sri Lanka is het ook bepalend voor hun (on)mogelijkheden om naar school te gaan. Naar school gaan wordt inmiddels wel gestimuleerd door de overheid in Sri Lanka, maar zoals alles, naar school gaan kost geld.
Een ramp zoals de tsunamie treft vooral de mensen uit de laagste kaste. Dit deel van de bevolking wordt gevormd door de vissers en arbeiders, de landbouwers en kleine handelaren die dicht bij de zee wonen en werken. Hun huisjes zijn van hout en gevonden voorwerpen en hun bezittingen zijn een afspiegeling van de geringe inkomsten die zij hebben van de verkoop van vis of goederen. Zelfs de stenen huizen, die ook deel uitmaakten van het straatbeeld aan de kust, waren niet bestand tegen de verwoestende kracht van de tsunamie.
De mensen uit een hogere kaste leven vaak wat dieper landinwaarts en zij, de grootgrondbezitters, de officieren, de geleerden en de priesters, hebben allemaal hun eigen sociale kring. Over het algemeen, uitzonderingen daargelaten, blijft een sociale context zitten waar hij zit en mixt niet met andere jadi’s.
Een kind dat tot de laagste kaste behoort en de tsunamie overleeft, maar een of beide ouders verliest, heeft geen familie landinwaarts die mogelijk voor hem zou kunnen zorgen na de ramp. Er is niemand meer die hem kent.
De kinderen die in dit weeshuis wonen hebben (misschien) geluk. Zij krijgen eten, onderdak en onderwijs in het Somawathi Home.
Misschien zijn ze de eerste generatie die toegang krijgt tot goed onderwijs. Misschien zijn ze de eerste generatie kinderen waar het eten elke dag in de eetzaal geserveerd wordt. Waar überhaupt elke dag eten is.
Als tegenprestatie hoeven ze alleen maar te leren (over)leven in een groep van 120 kinderen..
 
 
Aan het werk
 
Na twee dagen tekenen en spelletjes spelen met een klas kwetterende vogeltjes ben ik aan het eind van mijn Latijn. Ik heb nog niemand van de leiding gezien, behalve een in een prachtige sari gehulde mevrouw die kantoor houdt in een groot lokaal, grenzend aan het hoekje waar wij zitten te tekenen.
Volgens haar is de meneer van de organisatie nu even ziek, maar zodra hij zijn neus laat zien zal zij ons aan elkaar voorstellen.
Dat lijkt mij een goed idee, want ik ben niet alleen naar Sri Lanka gevlogen om met de kinderen te tekenen, maar wil graag mijn specialisatie aanbieden.
Ik weet ook niet zo goed hoe het verlenen van ontwikkelinghulp werkt. Ik had de naïeve verwachting dat er wel iemand zou zijn die aan mij zou komen vragen wat ik kwam doen en of ik iets nodig had. Als iemand zijn hulp aanbiedt, en in mijn geval is dat specialistische hulp, dan ga ik er van uit dat de leidinggevenden daarvan op de hoogte zijn en erop inspringen. Maar dat was helemaal niet het geval. Niemand weet wat ik kom doen, behalve de mensen van de Nederlandse tak van de organisatie en die zijn afgelopen zaterdag weer naar huis gevlogen.
 
Ook de derde dag lag de assistent manager nog met een zere teen in bed.
Het drong langzaam tot mij door dat er niemand naar mij toe zou komen en dat ik zelf actie moest gaan ondernemen. De tijd ging dringen; nog maar een week en dan zou ik alweer naar huis gaan.
Er waren zoveel kinderen die ik nog graag individuele hulp zou bieden, hoe kon ik dat nou voor elkaar krijgen?
Het management is verdeeld in strikte taken. De assistent manager die over de kinderen ‘in het algemeen’ ging lag ziek te bedde. De mevrouw in de mooie sari was verantwoordelijk voor het noteren en bijhouden van de schoolprestaties van de kinderen. De Nederlandse mensen waren naar huis. Dan bleef eigenlijk alleen de meneer over die met een rijtje assistentes bij de administratie zat. Hij was ook aan mij voorgesteld als manager, maar vraag mij niet wat hij dan precies regelde. Ik wist niet of hij wel de juiste persoon was om bij aan te kloppen, dus moest ik zorgen dat mijn verhaal in orde was en hem het gevoel geven dat hij echt de enige was die mij verder kon helpen. En misschien was dat ook wel zo…
’s Nachts, in de stilte van mijn hotelkamer heb ik de vorm van hulp die ik wilde verlenen op de laptop uitgewerkt. In het Engels, in simpele en eenvoudige bewoordingen.
 
Wat kom ik doen?
 
Nadat ik de handleiding had uitgeprint –ja, kopieerwinkels heb je overal- vond ik in een stoffig zaakje een plastic snelhechter waardoor het er allemachtig officieel uitzag en ben ik het kantoor van de administratie binnen gestapt. Ik liet de manager weten dat ik mij zeer vereerd zou voelen als ik een persoonlijk gesprek met hem zou kunnen krijgen om mijn werk toe te lichten.
Hij bladerde wat in het mapje, keek eens naar mij en zag in zijn drukke agenda dat hij vanmiddag wel tijd had om met mij te praten.
Om vier uur zaten we in de schaduw onder een boom en heb ik aan een zeer geïnteresseerde manager mijn verhaal over traumahealing verteld. Het hoe en waarom en wat wij  (als hij niet meewerkt dan kan ik ook niets) daar aan konden doen. Hij luisterde geïnteresseerd en stelde vragen. Even was hij in de veronderstelling dat ik een vorm van psychotherapie wilde geven en kreeg ik een uitgebreide verhandeling over het nut van praten en de begeleiding die zijn kinderen al krijgen van een psycholoog en de kinderbescherming en hoe dat in zijn werk gaat. Toen ik in de gelegenheid was om hem te onderbreken heb ik verteld dat ik geen counseling doe, ( ik spreek immers de taal niet) en dat ik geen ‘files’ wil lezen. Zijn verwarring stond op zijn gezicht te lezen. Wat wilde ik dan?
Gelukkig had ik de tekst van de minilezing afgesloten met een hoofdstukje ‘wat heb ik nodig?’
Samen zochten we het betreffende stukje tekst en dat was zo bitter weinig dat hij daarna zei: “waar wil je werken” en ik kreeg het hele lokaal naast de recreatiezaal tot mijn beschikking.
“Heeft u een matras nodig? Morgen ligt het er.”
“Ook een klein tafeltje en een stoeltje? Zorg ik voor.”
“That’s all?”
“Yes Mister thats all, and myself…….
 
En zo gebeurde het dat ik de volgende dag om twee uur aan het werk ging met het eerste meisje.
 
 
 
 
 
 
 
Samantika
 
Schoorvoetend komt zij binnen. Een aarzelende glimlach vertelt dat zij het wel een beetje eng vindt om alleen met mij te zijn, maar ze is vastbesloten om te komen. Ze heeft een piepklein beetje vertrouwen in mijn aanwezigheid gekregen nadat zij mij uitgebreid heeft bestudeerd in de dagen dat wij buiten zaten te tekenen.
“Hallo”, groet ik haar. “What is your name?”
In keurig schoolengels antwoordt zij: “my name is Samantika” en geeft er een iets grotere, opgeluchte glimlach bij. Gelukkig, de eerste vraag van deze mevrouw was niet zo moeilijk, zie ik haar denken.
Samantika is elf jaar en lijkt een volwassene in een meisjeslichaam. Zij was degene die een rijtje maakte van alle kleine kinderen die hun tekeningen aan mij wilden laten zien. Zij was degene die hielp om alle potloodjes op te ruimen aan het eind van de dag en zij was degene die water voor mij haalde toen ze dacht dat ik dorst had.
Ik wijs naar het tafeltje waar een paar spelletjes op staan en vraag wat zij wil spelen. Zij weet het niet en zoekt naar aanwijzingen in mijn gezicht waardoor zij kan inschatten wat ik leuk zal vinden. Verlegen blijft ze dralen totdat ik ik twee spelletjes omhoog hou waaruit ze kan kiezen. Ze kiest vier-op-een-rij. De bedoeling is dat wij om en om kleine schijfjes in een raster gooien en zo proberen om vier dezelfde kleuren op een rij te krijgen. De ander probeert dat te voorkomen. Samantika mag kiezen met welke kleur ze wil spelen. Aarzelend kijkt ze van het stapeltje gele fiches naar de roze, om opgelucht te kiezen voor de kleur die het dichtst bij haar ligt.
Beheerst speelt ze het spel. Beleefd laat zij mij voor gaan. Geduldig wacht ze tot ik mijn zet gekozen heb. Ze neemt geen initiatief, maar lijkt mij eerder aan te moedigen om de juiste keuze te maken en maakt zichzelf bijna onzichtbaar. Soms heeft ze zelfs mijn fiche al in haar hand om het aan mij te geven zodra het mijn beurt is.
We zijn geen van beiden blij of teleurgesteld als ik het spelletje win. Het lijkt of zij mijn suggestie om nogmaals te spelen uit de lucht pakt, knikt vervolgens naar mij en ordent het spel om opnieuw te beginnen.
Het lukt mij niet om haar te laten winnen. Steeds als zij vier fiches op een rij dreigt te krijgen maakt zij mij daarop attent en verwacht dat ik dat geluk voorkom. Zij wint dus weer niet, maar zorgt ervoor dat ik gelukkig ben.
 
Dan doe ik iets onverwachts waar zij niet op kan inspelen. Ik wijs naar de grote vellen wit papier die op een kast geplakt zijn en vraag haar ervoor te gaan staan. Ze heeft geen idee wat de reden is dat ik dat aan haar vraag en de verwarring is van haar gezicht te lezen.
Met haar hielen tegen de plint laat ik haar tegen de kast staan. Dan pak ik een boek en leg het op haar hoofd. Haar grote ogen kijken mij vragend aan maar ze blijft doodstil staan. Met een potlood maak ik een streepje boven het boek. Met veel omhaal schrijf ik haar naam bij het streepje en we bewonderen samen haar lengte.
Dan nodig haar uit om op de matras te komen zitten. 
Ze gaat zitten omdat ik dat vraag en ik pak een flesje met massageolie. Voorzichtig masseer ik haar handjes een voor een. Ze staat de handmassage toe zonder vragen of afweer, maar het lijkt alsof ze zichzelf terugtrekt en zij geeft mij het gevoel dat zij deze massage toestaat omdat ik dat zonodig wil en niet omdat zij het zelf fijn mag vinden. Haar blik is naar binnen gericht, maar ze verplicht zichzelf om zo nu en dan naar mij te glimlachen.
Zo’n massage is eigenlijk de tweede stap is in onze kennismaking. Eerst spelen wij samen een spelletje en zitten daarbij tegenover elkaar. We raken elkaar niet aan, maar zitten eenvoudig in elkaars buurt en maken kennis op persoonlijk en energetisch gebied. We zitten in elkaars energieveld en leren elkaar kennen waardoor ik het kind laat besluiten of het mij wil en kan vertrouwen.
De massage is al een stap verder. Nu raken wij elkaar aan en nog dieper wordt een beroep gedaan op het vertrouwen. Het kind geeft onbewust signalen over gehechtheid, overgave, vertrouwen, verlorenheid, eenzaamheid en angst.
Bij Samantika voel ik niets. Zij heeft zichzelf teruggetrokken in haar onzichtbare wereld en net als ik denk dat ze helemaal niet meer te bereiken is, gaan de luikjes even open en glimlacht ze naar mij.
Ik heb mij voorgenomen om geen diagnoses te stellen bij de kinderen die ik ga zien. Ik kan alleen maar inspelen op wat er zich nu aandient en het kind een moment van rust, warmte en aandacht geven. Ik vraag niets van hen, ze zijn goed zoals ze zijn. Ze zijn veilig en dat voelen ze. Uit ervaring weet ik dat kinderen zich daardoor ontspannen en gaan loslaten wat zich in het lichaam vastgezet heeft. Het is niet aan mij om te bepalen wat er moet gebeuren. Het kind houdt de regie en ik volg.
 
Na de handmassage breng ik het handje van Samantika onder haar neus en laat haar de lekkere geur van de olie ruiken. Ondanks dat de geur van de etherische olie nu overal in het lokaal hangt lijkt het alsof ze zich voor het eerst bewust wordt dat de olie ook lekker ruikt. Glimlachend brengt ze haar handen naar haar gezicht en haalt diep adem. Haar ogen stralen.
We genieten even van dit ogenblik en ik ben mij bewust van het feit dat mijn volgende vraag ons contact kan maken of breken.
Ik vraag haar om te gaan liggen. Met een uitnodigend handgebaar maak ik duidelijk dat ze languit op de matras mag gaan liggen met haar voeten daar en haar hoofd op een kleurige doek. Het licht verdwijnt uit haar ogen en zij kijkt mij onderzoekend aan. Ik kijk terug met alle genegenheid die ik in mijn hart voel. Het is even stil terwijl ik wacht wat haar beslissing zal zijn. En misschien omdat ik niets van haar wil, geen dwang in mijn houding of lichaamstaal gebruik, geeft zij zich over aan de vraag en met een diepe zucht nestelt ze zich op de matras.
“Oké, lijkt ze te zeggen, het is goed.”
Ik neem plaats op de grond aan het hoofdeind van de matras en neem haar hoofd tussen mijn handen. Haar ogen zijn open en ondanks dat ze mij vanuit deze positie niet kan zien, kan ik voelen dat ze mijn bewegingen volgt. Langzaam ontstaat er diepe ontspanning in haar hoofd en geleidelijk aan wordt het lichaampje, dat als een plank aanvoelde toen ze ging liggen, ook zacht. Een zachte trilling gaat langs haar wervelkolom. Spieren,pezen, huid en bindweefsel voegen zich naar deze nieuwe ontspanning door met kleine schokjes te bewegen. Toen haar arm de eerste keer als vanzelf ging bewegen draaide Samantika haar hoofd om naar mij te kijken en vroeg bevestiging met haar ogen. Ik glimlach bemoedigend waarna zij weer gaat liggen. Zij lijkt nog dieper in de matras te kruipen en geeft zich volledig over in een grenzeloos vertrouwen. Haar lichaam ontlaadt zich schoksgewijs. Soms zie ik alleen een lichte trilling langs het lichaam gaan, soms ontstaat er een grotere uitslaande beweging van een arm of een been. Samantika laat het allemaal gebeuren. Ze ligt stil en lijkt half in slaap. Mijn warme handen omvatten haar hoofd en in het kommetje van mijn hand liggen haar oortjes en daarmee de grote en kleine hersenen. Zachtjes pulserend beweegt de schedel op een ritme dat met het blote oog niet te zien is. Hoewel haar lichaam zich voorzichtig beetje bij beetje ontspant, voel ik dat haar hersenstam gestresst blijft en daarom verplaats ik mijn handen naar haar nek en achterhoofd. Oneindig zacht houd ik haar achterhoofd in mijn handen. Eerst gebeurt het tegenovergestelde van wat we verwachten. Haar kaak spant zich aan, haar schouders zetten zich schrap en in haar maag vormt zich een knoop. De heupen en benen nemen opnieuw de vorm van de plank aan. Als een dier in opperste waakzaamheid ligt ze voor mij. We wachten…. Ik beweeg niets en wacht samen met Samantika af. Zij ligt ook doodstil en ik heb stellig de indruk dat zij op een bepaald niveau weet of ziet wat er gebeurt, maar omdat zij zichzelf toestemming heeft gegeven om mij te vertrouwen, beweegt ze niet en wacht ook af.
Langzaam neemt de spanning in de kaak en schouders af en zie ik een golvende beweging in haar buik ontstaan. De huid van de buik beweegt van links naar rechts en van boven naar beneden en alle organen bewegen mee. Golven van ontspanning worden golven van emotie. Een traan biggelt uit haar ooghoek en loopt in haar oor. Dan nog meer. Een diepe snik welt op uit haar keel en dan laat ze haar tranen de vrije loop. Schokken van verdriet komen van diep uit de buik en ze laten haar een moment lang alle opgespaarde ellende eruit gooien. Plotseling is het over, waarna ze een diepe zucht slaakt en in slaap valt. 
Ik blijf nog even zitten met haar hoofd in mijn handen en verbaas mij over de rust die haar lichaam aangeeft. Terwijl ik mij afvraag of ik nog iets moet doen ben ik tegelijkertijd bang om haar diepe rust te verstoren.
Tenslotte sta ik op omdat ik kramp in mijn benen krijg en loop wat rond. Wel blijven we verbonden met elkaar alsof we beiden in dezelfde zeepbel verblijven en Samantika laat niet blijken dat zij in de gaten heeft dat ik haar fysiek losgelaten heb. Ze is heel ver weg in een diepe helende slaap en tenslotte neem ik voorzichtig plaats aan haar voeteneind en wacht daar in de lotushouding tot zij zich weer bewust gaat worden van haar omgeving.
Een lichte trilling gaat door haar lichaam en haar oogleden bewegen. Ik neem haar voetjes vast bij de hiel en wieg haar zachtjes. Langzaam komt ze uit de diepe slaap en ziet mij opeens zitten aan bij haar voeten. Een warme, lome glimlach komt mij tegemoet en zij geniet nog even na voordat zij weer helder wordt. Als ze helemaal weer alert is pak ik haar voeten steviger bij de hiel en leun achterover waardoor haar benen zich strekken. Nog verder buig ik naar achter en daardoor voel ik dat haar benen zich oprekken en dat er ruimte gaat ontstaan tussen de wervels in de ruggengraat. De schouders en nek bewegen ontspannen mee in mijn vraag naar lengte. Uiterst voorzichtig en met respect voor het lichaam ervaar ik waar nog spanning zit, maar laat het met rust. Het is genoeg voor vandaag.
Samantika ervaart met grote ogen wat er in haar lichaam gebeurt en giechelt als ik mijn houding iets verander waardoor ik voorkom dat het lichaam verder opgestrekt wordt, maar haar hele lichaam zachtjes over de matras getrokken wordt. Dat is altijd weer een hele grappige ervaring, want het lijkt alsof je uit je broek en shirt glijdt. Tenslotte laat ik langzaam de voetjes los en geef een klein stukje lengte terug waardoor Samantika weer een klein stukje krimpt en dan gebaar ik dat ze van de matras af kan komen.
Ik geef haar een hand en neem haar mee naar de kast waar we haar een half uurtje geleden hebben opgemeten. Ze begrijpt de bedoeling en gaat weer voor de kast staan. Het boek leg ik weer op haar hoofd en wederom trek ik een streepje boven het boek. Samantika komt naast mij staan en kijkt naar de twee streepjes. Verbaasd kijkt zij mij aan: er zit zeker twee centimeter tussen de twee streepjes.
En eerlijk gezegd ben ik zelf ook wel verbaasd. Twee centimeter is echt heel veel. Er staan tientallen streepjes op het behang in mijn werkkamer in Nederland, maar zelden is de groei meer dan een á anderhalve centimeter.
We zijn blij.
Blij met elkaar en blij met het onomstotelijke bewijs dat je heel veel kunt groeien in een half uurtje.
Ergens weten de kinderen dat zij op dit moment niet alleen fysiek zijn gegroeid , maar dat zij een drempel genomen hebben waardoor zij verder kunnen groeien zonder oude pijn.
En Samantika weet het ook.
 
 
 
 
 
 
Darshanii
 
Als tweede stapt Darshanii binnen. Een windvlaag betreedt het lokaal. Elke voetstap is te horen door haar klepperende slippers en voor ik iets kan vragen sluit zij mij in haar armen en laat daardoor zien dat zij de situatie helemaal onder controle heeft. Terwijl zij mij stevig vasthoudt rond mijn middel kijkt ze omhoog en zegt zonder woorden “vertel het maar, wát gaan we doen?”
Glimlachend maak ik haar armen los en vraag haar naam. Ik wijs daarna naar een van de spelletjes en zij kiest de mikado om met mij te spelen. Van alle spelletjes is mikado het moeilijkste wat ze had kunnen kiezen en onbewust geeft ze mij een kijkje in haar Ziel en persoonlijkheid. Mikado zegt alles over de toestand van het zenuwstelsel van een kind, het vermogen tot concentratie en beheersing van bewegingen en de fijne motoriek. Mikado doet een beroep op geduld en het vermogen om tegen je verlies te kunnen.
Swoesj, swoesj doen haar slippers en zij is al bij het tafeltje met de spelletjes. Zij grist het doosje met de mikadostokjes van het tafeltje, opent het doosje en voor zij het weet vallen alle stokjes op de grond. Een brede verontschuldigende grijns begeleidt haar ‘sorry,sorry,sorry’ en ze valt op haar knieën om alles bij elkaar te vegen waarbij een punt van een stokje in haar vinger prikt. Au.
Ze steekt haar vinger in haar mond en kijkt mij aan. Een traan wordt weggeslikt. Sussend pak ik haar bij de arm, geef een kus op de vinger en samen lopen we rustig naar het kleed waarop we gaan spelen.
Ze gaat op het kleed zitten en zonder af te wachten maakt ze een bosje van de stokjes en laat ze vallen zodat het spel kan beginnen. Ik kan alleen met de kinderen communiceren via lichaamstaal, maar dan heb ik wel haar aandacht nodig. Darshanii is vast van plan om zó goed te presteren dat zij één is met de stokjes en mijn vragen of aanwijzingen volledig mist. Het is de bedoeling dat de stokjes een voor een opgeraapt worden zonder de andere stokjes te raken. Als een van de andere stokjes beweegt ben je af en is de ander aan de beurt. Darshani’s stokjes lijken een eigen leven te lijden en bewegen soms al als ze er alleen maar naar kijkt. Zachtjes grommend buigt ze zich over de stokjes en met uiterste beheersing zoekt ze een mogelijkheid om een stokje los te maken uit de wanordelijke berg. Elke verovering wordt bij de anderen gelegd en dan keert ze snel terug naar het spel waarbij ze zulke haastige bewegingen maakt dat haar voet uitschiet en de berg stokjes veranderd in een nieuwe berg. Ze weet wel hoe het spel gespeeld moet worden, maar ziet het bewegen van de andere stokjes niet of beschouwt de beweging zo minimaal dat ze er verder geen aandacht aan schenkt. Dat voorkomt dat ze moet wachten omdat ik aan de beurt ben. Ze is steeds in beweging en wipt van de ene bil op de andere. Dan weer beziet ze het spel vanuit de lotushouding om twee tellen later op de knieën met de neus net boven de stokjes te hangen.
Ik laat haar winnen en zie hoe zij langzaam tot rust komt en haar blik wat verruimt. Voor het eerst kijkt zij mij weer aan. Ik glimlach naar haar en vraag met mimiek en gebaren of zij nog eens wil spelen.
Deze keer pak ik de stokjes en vraag ik wie er gaat beginnen. Grootmoedig wijst ze naar mij en nu spelen we voor het eerst samen. Samen tellen we de stokjes die we veroverd hebben in het Engels en het blijkt dat ik gewonnen heb.
‘Nog eens?’ vraag ik en de zon breekt door op haar gezicht. Nu is de stand gelijk en daar kan verandering in komen als we nog eens spelen, lijkt ze te willen zeggen.
Met een diepe, blije zucht neemt ze de lotushouding weer aan en pakt de stokjes. Vragend kijkt ze naar mij en houdt de stokjes omhoog. “Zal ik beginnen?”. Ik knik.
Deze derde keer gaat het spel geconcentreerder en langzamer, maar helaas kan ze niet voorkomen dat haar armband middenin het spel valt, dat ze haar eigen stapeltje stokjes met haar been weg zwiept als ze gaat verzitten en dat ze bij het losmaken van een stokje verstijft van de concentratie om haar vingers onder controle te houden. Steeds vraagt ze nu tussendoor goedkeuring met haar ogen en terwijl ik bemoedigend terugkijk telt ze stiekem tussendoor hoeveel stokjes ik al heb. Ze wint weer.
Bij alle kinderen volg ik dezelfde procedure : spelletje, meten, handmassage, behandeling en nadat we met een streepje haar lengte bepaald hebben laat ze zich op de matras vallen. Oh? Wil ik haar handen masseren? ‘Dat is ook goed’, lijkt ze te zeggen en ze klimt weer overeind en gaat zitten. Rustig masseer ik haar handen die eruit zien alsof ze zojuist van het pottenbakken komt en geen tijd heeft gehad om haar handen te wassen. Ik schenk er weinig aandacht aan, want de handen zijn een afspiegeling van haar uiterlijk. De kleren zijn wel heel, maar frommelig en hebben duidelijk te lijden van het tempo waarin het leven van Darshanii zich afspeelt. De handmassage brengt haar tot rust. Haar ademhaling wordt rustiger en dieper en eindelijk kan ik het kind zien dat binnenin haar chaotische lichaam woont. Aandachtig bestudeert ze mijn gezicht en volgt mijn handen tijdens de massage. Tussendoor ruikt ze maar eens aan de hand die al klaar is en ‘Mmmmm… wat ruikt dat lekker’.
Dan mag ze gaan liggen. Bij haar heb ik geen enkele aarzeling om het gebaar te maken wat erop duidt dat ze kan gaan liggen. Al tientallen keren heeft ze naar de matras gekeken en is blij en enthousiast als ik eindelijk zeg dat ze mag gaan liggen. Buik? Rug? Ze draait twee keer helemaal om voordat ze voldoende focust om te zien wat ik vraag.
Ik weet niet wat ze verwacht, maar ze ligt zo blij gespannen en opgewonden voor zich uit te kijken dat je bijna zou denken dat ik beloofd heb om haar favoriete een film te draaien.
Ik pak haar hand nog eens, maar ze trekt hem terug en kijkt mij aan alsof ze wil zeggen ‘dat hebben we al gehad. Nu het volgende. Doe je best.’
Even twijfel ik. Hoe krijg ik dit opgewonden standje in een kalme, ontvangende modus? Maar ‘het is zoals het is’ en wederom herinner ik mijzelf eraan dat het niet aan mij is om te bepalen hoe de behandeling ontvangen wordt. We zullen zien.
Ik neem plaats achter haar hoofd en plaats haar hoofd in mijn handen. Onmiddellijk voel ik de chaos in dit kind. Haar zenuwstelsel is bovenmatig geactiveerd en het kost haar veel energie om niet als een stuiterbal door het leven te gaan. Wat natuurlijk mislukt als het op de fijne motoriek aankomt. Bij grote bewegingen heeft ze nog wel controle, maar bij de kleinere bewegingen kan ze de voortdurende spanning/schokjes die haar zenuwstelsel doorgeeft via de wervelkolom aan haar spieren niet beheersen.
 
 
Darshanii heeft geen boodschap aan mijn overpeinzingen en geeft zich totaal over aan wat er gebeurt. Ze sluit haar ogen al voordat ik het vraag en lijkt te genieten van de bewegingen die haar lichaam maakt als het ontlaadt. Haar gezicht ontspant zich en haar ogen maken snelle bewegingen onder haar gesloten oogleden. Dan gaan de aangezichtsspieren trillen en zij ontladen zich met bewegingen die bijna onnatuurlijk aandoen. Haar hele gezicht is in beweging. Na een poosje komt haar gezicht weer tot rust om een minuutje later weer zachtjes te gaan vibreren. We wachten af. Ik heb bij Darshanii het gevoel dat zij zich niet bewust is van de ontlading van het zenuwstelsel. Het lijkt alsof ze slaapt of in ieder geval in diepe rust is.
Na een poosje laat haar hele lichaam de onderhuidse spanning los door vibrerend van boven naar beneden te ontladen. Het gaat in golfbewegingen, waarbij de armen en benen ook meedoen. Soms ligt ze even helemaal stil alsof het lichaam nieuwe energie verzamelt. Na een poosje start opnieuw de ontlading, voorafgegaan door een kleine trilling bij haar maag.
Ik neem de spanning rond haar heupen gewaar en voel tegelijkertijd dat beide hersenhelften een nieuwe balans zoeken. Hier wordt gewerkt; heel hard gewerkt, maar Darshanii blijft rustig liggen en lijkt niets te merken.
 
Het onderste deel van haar wervelkolom vraagt nog extra aandacht en ik ga aan de rechterkant naast haar zitten. Ik neem, terwijl Darshanii blijft liggen, haar stuitje in het kommetje van mijn rechterhand en plaats mijn linkerhand op de heup en onderbuik. We wachten af. Ik voel in de hand die onder haar rug ligt kleine vibraties ontstaan. Het bot komt tot leven. Onder mijn linkerhand gaat de buik zachtjes bewegen. Na een paar minuutjes komt alles weer tot rust. Darshanii sluimert rustig door en reageert niet. Voorzichtig haal ik mijn hand onder haar rug vandaan en ga bij haar voeten zitten.
Ik merk dat Darshanii weer met haar bewustzijn naar de oppervlakte komt doordat haar ademhaling verandert en er een uiterst klein glimlachje over haar gezicht trekt. Ze is stil, rustig en gelukkig.
Ik laat haar even genieten en pak dan haar voeten in mijn handen. Zodra ik langzaam haar lichaam uitnodig om in de lengte te groeien schieten haar ogen open en met een brede grijns volgt ze wat er met haar gebeurt.
Ook bij haar is de groei bijna twee centimeter. En daar is ze zowaar even stil van.
 
 
Hulp
 
De behandelingen vinden plaats in een heel groot klaslokaal, waarin niets staat behalve een kast en een tafeltje. Het tafeltje is eigenlijk het ‘kantoor’ van de medewerkster die de schoolvorderingen van de kinderen bijhoudt. Zij heeft ook kennis van de geschiedenis van de kinderen en zorgt ervoor dat er elk uur een kind gehaald wordt wiens naam op de lijst staat. Zodra het kind binnenkomt vertelt zij in enkele zinnen het levensverhaal van het kind en hoe lang het hier al woont.
De matras waar wij gebruik van maken ligt de eerste dag op de grond en ik zit er naast in kleermakerszit. Maar na een dag op de grond werken schreeuwen mijn Hollandse botten om rust en een stoel. Ik realiseer mij dat ik op deze manier mijzelf veel te snel mij uitput en daarom verplaats ik het tafeltje waar we gisteren aan zaten te tekenen naar binnen en leg de matras bovenop het tafeltje. Een kleuterstoeltje plaatsen we ernaast zodat ik een zitplaats heb en daar moet ik het maar mee doen.
Ik hoef dat allemaal niet alleen naar binnen te sjouwen, want rond het lokaal lopen, rennen en spelen de kinderen die óók graag naar binnen willen, maar (nog) niet geroepen worden. Mijn wens is al opgemerkt voordat ik erom kan vragen en in een mum van tijd slepen acht kinderen gezamenlijk het tafeltje het lokaal in. In dit tropische land zijn de ramen niet voorzien van glas en wordt de buitenwereld buiten gehouden door de gordijnen te sluiten. Een ideale situatie voor nieuwsgierige kindertjes. Voortdurend beweegt er wel ergens een gordijn en dat is niet van de wind… Kleine donkerbruine oogjes gluren door de gaatjes in het gordijn en soms hoor ik een gestommel van jewelste als de constructie, die gebouwd is om beter naar binnen te kunnen kijken, instort.
 
Als ik afscheid neem van het behandelde kind neem ik even de tijd om wat kleine aantekeningen te maken en wat te drinken. Het is tropisch warm en in de roes van behandelen vergeet ik om te drinken, te eten of te rusten. 
Ik vind dit allemaal zo leuk en word er zo blij van dat ik niet eens vóel dat ik dorst heb. Ik herken de therapeutische valkuil die ik in Nederland allang onder controle heb, maar onder deze bijzondere omstandigheden de kop weer opsteekt. Ik weet dat ik goed voor mijzelf moet zorgen, maar de rij kinderen is lang en mijn tijd kort, dus vraag en bid ik in gedachten om hulp.
 
 
De voorzienigheid is goed voor mij want de volgende dag meldt zich al een assistente.
Daphne, een jonge Nederlandse vrijwilligster die bij de kleutergroep van het weeshuis werkt, vraagt of ik hulp nodig heb en dankbaar neem ik haar aanbod aan. Zij installeert zich aan het kleine bureautje van de schoolleiding en verzamelt alle informatie die over het kind beschikbaar is en schrijft het op het kaartje. Voor de behandeling is het niet strikt noodzakelijk, maar voor mijn beeldvorming, nu ik dit zit te schrijven, is het enorm waardevol. Zij ruimt de spelletjes op en haalt water voor mij. Haar aanwezigheid zorgt ervoor dat ik tijdens het behandelen ook wat informatie kwijt kan over hetgeen ik voel of waar ik mij over verbaas. Het werken onder deze omstandigheden is nieuw en tegelijkertijd verrassend vertrouwd. Daphne is regelmatig mijn klankbord en haar rustige aanwezigheid houdt mij gefocust op het werk, maar brengt ook een vrolijke, relativerende toon in het lokaal.
En dat is ook nodig, want er is al ellende genoeg op de wereld.
 
 
 
 
PeeJee
 
De eenzaamheid hangt als een te ruime jas om zijn fragiele schouders. Zijn grote ogen hebben teveel gezien en zijn ziel lijkt bijna geknakt. Toch herken ik een ongelooflijke power in dit kind. Hij oogt oud en wijs en het zou mooi zijn hij iemand vindt die hem een beetje begeleidt en steunt. Er moet nog wel ergens een vader zijn maar die is verdwenen. P.J. draagt de verantwoordelijkheid voor zijn jongere broertje en beide jongens zijn gevonden (of eigenlijk opgepakt door de politie) op een busstation waar zij hun kostje bij elkaar scharrelden. Het is onduidelijk hoelang zij op straat hebben geleefd. Beiden hebben een plaatsje gekregen in het weeshuis . 
 
Het gaat hem en zijn broertje nu goed. Maar P.J. zal zich de rest van zijn leven zorgen blijven maken over zijn broertje.
Bij dit kind is het vooral zijn gedrag dat de leiding zorgen baart. Hij lijkt slim,maar is nog nooit naar school geweest. Hij is heel verlegen en koppig. Zijn humeur is zonnig en regenachtig tegelijk.
Voor het eerst voelde ik tijdens de behandeling een kind dat ( nog steeds) aan het overleven is. Ondanks de goede zorg in het weeshuis heeft hij niet meer de onbevangenheid van een kind teruggekregen.
P.J. stapt lijdzaam binnen. Hij wil wel met mij een spelletje doen, maar laat niet blijken dat hij er plezier aan beleeft. Hij lijkt een oude man in een kinderlijfje. Ik kan niet anders doen dan hem uitnodigen om op de matras te gaan liggen. Het juk van de verantwoording valt hem zwaar, maar hij is vast van plan om dat te dragen. Hij laat mij duidelijk voelen dat hij geen kind meer is dus ik kan hem niet omhelzen, niet op schoot nemen en niet masseren. Daarom houd ik zachtjes en voorzichtig zijn voeten vast. Ik vraag niets en wil niets en hij ligt stilletjes op de matras met zijn ogen open. Hij wacht. Ik ook.
Na geruime tijd worden we omgeven door een warme bel van energie en we ontspannen ons beiden. Langzaam vallen zijn ogen dicht en zijn vingers ontspannen zich.
Het lichaampje geeft geen tekenen van het loslaten van spanning zoals bij de andere kinderen, geen trillingen of schokjes, geen buik of armen die als vanzelf bewegen, geen slikbewegingen of emotie.
En toch, heel langzaam wordt hij zacht. Zo langzaam als een plant het nodig heeft om zich vol te zuigen met water zie ik dat hij de warme energie opneemt en zich ontspant. Zijn gezichtsuitdrukking wordt vriendelijker en langzaam verschijnt er een zweem van een glimlach. 
Dat is alles. Meer dan een half uur lang heeft hij weer kennis kunnen maken met het gevoel wat veiligheid is en geborgenheid is. Meer dan een half uur was hij niet meer alleen. En voor het eerst heb ik spijt dat ik volgende week naar huis ga en hem niet kan terugzien.
 
 
 
 
 
Trisha
 
Als de deur openzwaait om een Darshanii of PeeJee naar buiten te laten, staat zij altijd sterk en stevig in het groepje kinderen dat ook naar binnen wil. Trisha is geen kind dat bij het groepje hoort. Sterk en solitair observeert zij mij van een afstandje. Zij staat ook op de lijst met kinderen die in aanmerking komen voor een behandeling. Maar wonderlijk genoeg verdwijnt ze steeds als haar naam geroepen wordt.
Ik weet zeker dat ze erg graag wil weten wat er binnen gebeurt, want ik heb haar gezicht vaak genoeg onder het gordijn zien uitkomen. Als er eenmaal een andere naam geroepen wordt dan de hare, is ze er weer als de kippen bij om vanuit de deuropening naar binnen te kijken.
 Ze draagt een blauw jurkje en loopt blootsvoets. Maar het is haar rattenkopje waardoor ik haar herken. Zij is het meisje dat niet wilde tekenen , maar rondjes holde om alle tafels en mij steeds als zij mij passeerde in mijn rug kneep.
Wie is dit kind? Zij fascineert mij. Wie is dit kind dat overduidelijk wel in contact met mij wil komen, maar daarvoor een uiterst onaangepaste manier zoekt? Zelfs de andere kinderen vinden haar ‘anders’ en snappen haar vreemde gedrag niet zo goed. En dus is het de groep kinderen die beslist dat Trisha nu toch echt aan de beurt is en ze trekken haar aan haar jurkje naar de deur als haar naam weer geroepen wordt.
Verlegen blijft ze in de deuropening staan. Ik herzie snel mijn observatie, want wat zij laat zien is geen verlegenheid maar argwaan. De associatie met een wild dier in gevangenschap dringt zich op.
Ze is net sociaal genoeg om mijn uitgestoken hand te volgen naar de spelletjes, maar pakt mijn hand niet vast. Ze gaat zitten bij de vier-op-een-rij, maar heeft duidelijk geen notie van hetgeen je daarmee kan doen. Ze zit recht tegenover mij in de kleermakerszit op de grond, maar haar hoofd is van mij afgewend. Haar ogen kijken daardoor schuin naar mijn gezicht. Ik voel haar weerstand, maar besluit om toch de fiches te verdelen en samen te spelen. Zij krijgt de roze fiches en ik doe een gele in de rij. Met lichaamstaal nodig ik haar uit om ook een fiche in een rij te laten vallen. Ze ziet wat ik wil, maar ik weet niet zeker of ze het ook begrijpt. Dan buigt ze achterover om nog meer afstand te creëren tussen ons, pakt een fiche op en stopt het in het raster waarna ze vliegensvlug haar hand terugtrekt. Dit gaat niet om het spel. Ze snapt geen snars van dit spel en misschien wel van geen enkel spel. Een spel is een sociaal gebeuren en ze heeft zoveel moeite om überhaupt in één ruimte met mij te zijn dat ik vermoed dat er iets misgegaan is bij de socialisering van dit kind.
Ze blijft netjes zitten, maar haar zenuwen zijn tot het uiterste gespannen. Als alle fiches gebruikt zijn nodig ik haar met een handgebaar uit om op de matras te gaan zitten. Het meten sla ik maar even over; dat zijn teveel onbekende handelingen voor een wekker die elk moment kan afgaan.
Er hangt inmiddels zo veel spanning in het lokaal dat ik het bijna kan horen knetteren.
Ze volgt mij naar de matras en gaat zitten. Plotseling, als ik het flesje met olie pak en haar uitnodig om haar hand te geven, is het genoeg. Ze kan niet méér hebben en gaat razendsnel staan. Dan schuifelt ze achterwaarts naar de deur terwijl ze mij scherp in de gaten houdt. Haar ogen schieten heen en weer in de oogkas en ze haalt snuivend adem door haar neus.
De deur is een bevrijding. Ik verwacht dat ze hem open zal gooien en hard weg zal hollen. Maar ze opent hem heel zorgvuldig alsof hij ter plekke kan verdwijnen. Als de deur open is pakt ze met beide handen de deurpost en wringt zichzelf naar buiten. Op deze veilige afstand, met de speeltuin achter haar rug als vluchtroute, blijft ze nog even naar mij staan kijken. Ik noem nog een keer haar naam, maar ze schudt nee en verdwijnt.
Trisha is als klein kind, na de tsunamie, in de jungle achtergelaten. Samen met een broertje of zusje hebben ze moeten overleven als dieren met wat hulp van een oudere vrouw die in de jungle woont. Mogelijk was dat haar oma of een tante. De kinderbescherming heeft de kinderen daar gevonden en na wat omzwervingen zijn ze in het Somawahti weeshuis terecht gekomen.
Nog vindt Trisha het moeilijk om samen met andere mensen te zijn en reageert ze eerder instinctief dan sociaal.
Ik voel geen behoefte om een band met het kind op te bouwen hoewel mijn hart naar haar uitgaat, maar dit kind is serieus getraumatiseerd en geen speelgoed. Degene die een relatie met haar opbouwt moet dat zorgvuldig doen en vooral voor langere tijd in haar buurt zijn. En dan is het nog maar de vraag of ze zich zal hechten.
Uur na uur komen er kinderen naar mij toe. Ik heb een lijst gekregen met daarop ongeveer 25 namen van kinderen die volgens het management voor een behandeling in aanmerking komen. Elk kind neemt zijn eigen verhaal mee.
In tegenstelling tot wat ik dacht (en verwachtte) zijn deze kinderen niet allemaal getraumatiseerd door de tsunamie zélf. Ik had een filmbeeld in mijn hoofd, dat gevoed was door de beelden op de televisie in Nederland, over wegspoelende gebouwen, auto’s en boten. Over mensen die zich vastklampen aan een stuk hout en door het water meegesleurd worden. Aan mensen en kinderen die in trosjes in een palmboom hangen. Van land dat wegspoelt en zodra het water terugtrekt onherkenbaar achterblijft. Kortom, ik had een beeld van een ramp die angst, paniek en verwoesting veroorzaakt. Zonder afbreuk te doen aan de ellende die dat veroorzaakt, heb ik toch mijn mening moeten herzien. Want de ramp begint voor de mensen pas echt als de natuur allang weer tot rust is gekomen.
 
Ongetwijfeld hebben deze kinderen nog ergens op hun netvlies staan of in hun systeem opgeslagen wat er gebeurde op de 25e december 2004. Ze waren nog klein, maar hebben allemaal de ramp meegemaakt. Wie nog te klein was om het bewust te ervaren heeft op zijn minst de paniek en de onrust meegekregen. Toch hebben we er nooit over getekend of gesproken; geen van de kinderen heeft mij verteld (noch in woord, in gebaar of emotie) over de grote golf uit de zee.
 
Het zijn de gevolgen van de ramp die ik bemerk bij de kinderen.
 
 Twee keer Overleven.
 
Na het overleven van de vloedgolf waarin vaak de dood in de ogen is gekeken, begint een ander soort overleven. Voor ons westerlingen is het moeilijk ons om voor te stellen dat alles wat tijdens een leven opgebouwd is, binnen een paar minuten verdwijnt. Alle zaken waaraan deze mensen houvast verleenden zijn in een paar minuten weggespoeld. Hun huis, hun thuis, het werk, de familie en zelfs het dorp zijn weg of ernstig beschadigd.
Naast het verdriet overheerst angst over de vermiste familieleden en altijd is er de onzekerheid hoe het verder moet, want monden moeten gevoed en dorst worden gelest.
 
Veel mensen hebben geen boodschap meer aan hun eerdere sociale aangepastheid. De ongeschreven wetten die in ‘vredestijd’ zekerheid bieden en houvast geven, gelden nu niet meer. Het kaste systeem waardoor iedereen zijn plaats kent in de groep kent is een religieus systeem waarin ieder geacht wordt hulp te verlenen aan zijn naaste. Maar wat in normale omstandigheden goed werkt kan in tijden van nood ook het tegengestelde resultaat geven. Kort na de ramp gingen vrienden naar het getroffen gebied met als enige wens om de getroffen dorpsbewoners te helpen hun huis te herbouwen en een boot te kopen waardoor het gezin zich weer in zijn levensonderhoud kon voorzien. Het bleek een onmogelijke missie te zijn om twee redenen. De prijzen van bouwmaterialen waren niet meer te betalen, bij de eerste tekenen van wederopbouw gingen ze vele malen over de kop. Stenen en cement waren onbetaalbaar, evenals hout en spijkers.
Daar was natuurlijk de marktwerking debet aan want in tijden van schaarste wordt alles duurder, maar het was vooral de hiërarchie in het dorp die ervoor zorgde dat mensen elkaar het licht in de ogen niet meer gunden. De locals die de hulp aangeboden kregen waren eenvoudige vissers en in de ogen van de dorpsbewonershadden de mensen die hoger op de sociale ladder stonden meer recht op de hulp van de blanke. Het bleek onmogelijk om de mensen die hoger in aanzien stonden te passeren bij het geven van hulp.
Het is daarom van cruciaal belang om bij het geven van hulp, te weten in welke
kring men zich begeeft en de (ongeschreven) regels van een land te kennen. De landheer kan niet toestaan dat zijn arbeider het beter krijgt dan hijzelf, omdat dat zijn positie aantast. Daartegenover kan de arbeider de weelde van de geboden hulp niet dragen omdat het hem buiten zijn sociale kring plaatst en jaloezie en afgunst zijn deel wordt.
Als er een catastrofe van deze omvang overleefd moet worden, dan geldt het recht van de sterkste.
Vaak zonder genade worden de zwakkeren een gemakkelijk slachtoffer van onderwerping of uitbuiting.
En wie zijn de zwakkeren? Juist, de kinderen.
 
Het hebben van kinderen geeft in een ontwikkelingsland vaak status en is iets om trots op te zijn. Bovendien krijgen mensen in een ontwikkelingsland ook graag kinderen omdat zij verzekerd willen zijn van een verzorgde oude dag. Kinderen volgen het beroep van de vader en zo blijft het land (of de boot) in de familie. Kinderen zijn ook belangrijk om de ceremoniële riten te verzorgen als de ouders komen te overlijden, want als de overgangsriten op de juiste wijze worden uitgevoerd zal de Ziel van de overledene weer kunnen reïncarneren.
De meeste kinderen helpen al vroeg een handje mee bij het werk op zee, op het land en bij het verwerken of verzamelen van voedsel. Zij zijn een onderdeel van een groep, een familie. Een kind wordt gekoesterd, maar mag ook ingezet worden als de nood aan de man is.
De logische stap om de kinderen te gebruiken om te overleven is dus ook niet zo’n grote stap.
En dat is wat nu juist traumatisch werd bij veel van de kinderen die ik een behandeling gaf in het weeshuis. Ik behandel een meisje wat in de prostitutie is geraakt. Misschien is ze verkocht om aan geld te komen voor eten voor de andere kinderen?
Twee broertjes zwierven wekenlang rond een busstation en verdienden met bedelen wat geld. Andere kinderen werden uit stelen gestuurd en vormden een kleine bende. De minder gelukkigen worden in de jungle achtergelaten.
Kinderen gaan zwerven, worden mishandeld, verkocht en gebruikt. Dat zijn niet alleen de kinderen die beide ouders verloren hebben. Soms is de situatie voor de achtergebleven ouder uitzichtloos en zijn zij niet bij machte om iets aan de situatie te veranderen. Zij kunnen de zorg voor hun kind niet meer aan. De enige oplossing lijkt dan om zich van het leven te beroven of hun kinderen in de steek laten en weg te gaan.
Stuk voor stuk zijn de kinderen die ik in behandeling had beschadigd in een levensperiode waarin zij afhankelijk zijn van een sterke ouder die hen veiligheid en zekerheid biedt. 
 
Dit zijn kinderen die getraumatiseerd zijn als gevolg van de tsunamie.
Niet door het water, maar door de gevolgen van het water.
 
 
 
Voor zover ik weet bestaat er in Nederland geen team van gekwalificeerde natuurgeneeskundig en/of energetisch hulpverleners die hun hulp aanbieden aan de slachtoffers na een natuurramp. Ik denk dan niet alleen aan het verlenen van hulp aan de slachtoffers, maar ook aan het opleiden en begeleiden van locale genezers.
 
 
 
 
 
 
Ontwikkelingshulp en vrijwilligerswerk.
 
Een kritische noot over het geven van hulp in ontwikkelingsgebieden.
 
Tijdens mijn omzwervingen door ontwikkelingslanden in Azië zie ik dat er veel vrijwilligers zijn die hulp aanbieden bij het (weder)opbouwen van een weeshuis, een schooltje of een dorp. Met een groot hart en een koffer vol goede bedoelingen gaan zij ‘iets doen’. Het locale management weet echter over het algemeen niet wat de werkzaamheden van de vrijwilligers zijn in hun dagelijkse leven. Zij vragen er ook niet naar waardoor zij niet weten wat zij ‘in huis’ krijgen.
Dat is jammer, want daardoor blijft er veel ervaring en expertise onbenut.
Er zijn ontelbaar veel werkzaamheden waarin gemotiveerde en kundige vrijwilligers hun steentje kunnen bijdragen. Elk project heeft bij de oprichting veel steun nodig van bouwvakkers, timmerlieden en speeltuinbouwers. Deze praktische hulp is broodnodig in de beginfase. Logischerwijs neemt de behoefte aan een ander soort hulp toe naarmate de opbouw van een project vordert. Vaders die bedjes komen timmeren zijn heel erg welkom, maar op een dag heb je genoeg bedjes.
Een project heeft in de opbouwfase zeker veel praktische hulpverleners nodig, maar het is goed om ons te realiseren dat de vraag naar deskundigheid van de vrijwilligers aan verandering onderhevig is. Alle kinderen zullen heel blij zijn met mensen die een leuke sportdag voor hen verzorgen of hen trakteren op ijsjes of nieuwe schoenen. Alleen de behoefte aan vrijwilligers met een andere specialisatie zal toenemen.
 
Het lokale management zal niet vragen aan de mensen die hun hulp komen aanbieden wat hun specialisme is. In een andere cultuur vraagt men niet naar persoonlijke zaken, dat zou opgevat kunnen worden als een teken van onbeleefdheid of slechte gastvrijheid. Daardoor kan het gebeuren dat een organisatiedeskundige de stoeltjes van de kinderen nog maar eens overschildert en de computerdeskundige de –geschonken- bibliotheek mag opruimen terwijl er 20 dozen staan met – ook al gratis gedoneerde- computers die aangesloten moeten worden.
 
Vragen om hulp betekent dat er inzicht moet zijn in de eigen nood. Tegelijkertijd zouden de hulpverleners zich bewust moeten worden van het feit dat ‘nood’ in een ontwikkelingsland een andere interpretatie heeft dan in het westen.
Hulp bieden is niet zo eenvoudig als het lijkt. Buitenlandse hulpverleners kennen de cultuur en gewoontes van het land niet goed en kijken door een westerse bril naar de ‘nood’. Het is een kenmerk van alle vrijwillige hulpverleners dat zij iets van hun overvloed willen delen. Ze importeren materiaal uit het westen en brengen het naar het buitenland zonder zich af te vragen of het aansluit bij de locale eisen en behoeftes.
We verschepen schoolbankjes, pluche beestjes, lego, houten speelgoed, ontwikkelingsmateriaal en kleding zonder dat we ons afvragen of de locale bevolking dat misschien zelf zou kunnen maken.
Bovendien komt ongemerkt- tegelijk met het schoolbankje- ook de mening over hoe je les geeft en krijgt. 
We importeren ideeën over onderwijs of gezondheidszorg en borduren voort op methodes die in het westen bewezen hebben dat ze werken.
Zien we dan niet dat we de aansluiting missen bij de locale manier van leren en genezen? De locale bevolking heeft een andere manier van leven en denken waarin religie een belangrijke rol speelt. Een ander belangrijk aspect is het feit dat er van individualisme geen sprake is, maar dat alle mensen onderdeel zijn van een groep of kaste. Alle veranderingen zijn daardoor een zaak van de hele groep en hervormingen in onderwijs of gezondheidszorg vraagt tijd en geduld.
 
 
 
Ontwikkelingshulp blijft een raar fenomeen.
Hoe vaak wordt ontwikkelingshulp niet gewoon gegeven zonder dat er gerichte vraag naar is? De levensstandaard in het westen ligt hoger dan in het land waar de hulp verleend wordt. Het westen vergeet dat zij er ongeveer honderd jaar over gedaan heeft om op dat peil te komen. Alle geneugten van de 21e eeuw brengen wij naar ontwikkelingsgebieden zonder dat de bevolking de tijd krijgt om ervaring op te bouwen en te laten aarden wat geschikt is voor de specifieke cultuur. Veel te vaak bieden wij een kopie aan van onze westerse situatie en standaard van leven. Wij zijn door zestig jaar technologie gegaan voordat de televisie en de computer de normaalste zaak in een Nederlands huishouden werden. Nu kan bijna elke jongere in een ontwikkelingsland zijn vrienden bellen vanaf zijn kokosnootverkooppunt. Het verdiende geld gaat alleen niet meer in de huishoudpot, maar naar het kopen van beltegoed.
 
 
Ontwikkelingshulp zoals dat al decennia lang gegeven wordt, is een achterhaalde gedachte. We staan op een punt waarin wij ons bewust moeten gaan worden dat een land of bevolking geen spiegeltjes en kraaltjes meer vraagt, maar bewustwording.
Als de gedeelde kennis aansluit bij de huidige situatie ontstaat er vanzelf inzicht in de eigen mogelijkheden. Er ontstaat groei en ontwikkeling doordat de kennis integreert en begrepen wordt. Daarna kan de locale bevolking deze nieuw verworven inzichten toepassen en aanpassen binnen hun eigen cultuur.
De kunst van het hulp verlenen is geven en ook weer loslaten….
 
 
Een ‘land in ontwikkeling’ kan zichzelf nauwelijks meer spontaan ontwikkelen en leren van dezelfde fouten die wij maakten op onze weg naar vooruitgang.
Wij hebben een voorsprong van een halve eeuw waarin wij, met vallen en opstaan, geleerd hebben om onze zorg ‘op maat te maken’. Dat geldt voor zowel onderwijs als gezondheidszorg. Het gevaar schuilt in het feit dat wij onze uitgekristalliseerde zorg gaan kopiëren in een land in ontwikkeling.
 
Jezelf ontwikkelen, en een land is daar niet anders in, is een zaak is van voortschrijdend inzicht. Als ontwikkelingshulp betekent dat het eindproduct kant en klaar wordt aangeleverd, wáár moet je als ontvanger dan nog om vragen? Een kant en klaar product, wat ontwikkelingshulp soms is, haalt alle creativiteit uit de mensen. Er hoeft niet meer nagedacht te worden over oorzaak en gevolg.
Dat is als een doos Lego stenen krijgen waar de auto al van in elkaar gezet is.
Het meest schrijnend is dat er wel dankbaarheid gevraagd (en getoond) wordt voor de lego doos, maar als de auto uit elkaar valt weet niemand meer hoe hij in elkaar gezet moet worden. De teleurgestelde ontvanger kan geen hulp vragen omdat de gulle gever is alweer weg is en een kind kan bedenken wat er dus met het cadeau gebeurt. 
 
Een nieuw soort kolonialisme.
Hulpbiedende organisaties uit westerse landen zouden bewuster om kunnen gaan met het geven van hulp. Gaan we onze kennis delen  of dringen we onze hulp op?  Is dat niet een vorm van ego en superioriteit? Wij westerlingen zouden een stap terug kunnen nemen en de mensen zelf kunnen laten ontdekken wat werkt in hun specifieke land met hun specifieke godsdienst en in hun authentieke cultuur. ‘Samenwerking’ is glad terrein als het gaat om ontwikkelingshulp. Om een basis van gelijkwaardigheid te creëren moet het land, de bevolking, de cultuur gekend en gerespecteerd worden. En degene die de hulp komt aanbieden zou zich in alle ernst moeten afvragen waarom hij hulp komt bieden. Is dat vanuit het hart of vanuit het ego?
Kan je het dan ook aanzien dat de geboden hulp anders gebruikt wordt dan gepland?
 
 
 
 
 
Yolanda Onderwater
November 2011
 
 
 
 
 
 
 
Bronvermelding en Inspiratie
 
 
Sterven bij rampen
Complementaire hulpverlening bij massaal sterven
STNL & Marieke de Vrij
 
De aarde genezen
Marko Pogacnik
 
Een weeshuis in Sri Lanka
Marja van Leeuwen
 
De tijger ontwaakt
Peter A. Levine
 
Het ritme van de schedel
John E. Upledger
 
Cranio-sacraal therapie
Etienne Peirsman
 
Websites:
 
Voor reacties kunt u mailen naar: 
 
 
 
 
Over de auteur
 
Yolanda Onderwater heeft vijfentwintig jaar een praktijk als paranormaal therapeut in Nederland, opgebouwd door mond tot mond reclame, waarin zij veel kinderen en volwassenen behandelde met uiteenlopende klachten. Haar achtergrond in het (kleuter) onderwijs en het werken met mensen met een intellectuele beperking (verstandelijke beperking) gaf de creatieve input voor het maken van contact met kinderen.
Zowel inhoudelijk als organisatorisch ontwikkelde zij haar talenten door zich  intensief bezig te houden met het vak van paranormaal therapeut.
Haar inhoudelijke kennis en haar persoonlijke ontwikkeling groeide door studie en het opdoen van levenservaring door te werken met energieën en de onstoffelijke wereld.
Haar inzet voor een landelijke natuurgeneeskundige beroepsvereniging (LVNG) zorgde voor landelijke kwaliteitsverhoging van het beroep van paranormaal therapeut.
Vijf jaar geleden besloot zij te gaan reizen en het healingwerk bij de natuurvolkeren van Azië te onderzoeken.
Rijk aan ervaring keerde zij terug.
Haar talent om te kunnen genezen is een ‘Gift of the Gods’, zoals de Aziaten zeggen.
Yolanda deelt haar ervaringen door het geven van lezingen en het schrijven van boeken.
 

Hou ‘t Licht
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
           
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Bali, Stichting Sukacita
Bali, the children
West Papoea
West Papoea, the children
Sri Lanka
Sri Lanka, the children
WelkomContactOma Bali luistertInspiratie reis voor LichtwerkersEen engel per postOntwikkelingswerk in AziƫAbout Yolanda (english)